De UGent organiseert in februari en maart de lezingenreeks Eugenics: Critical Perspectives on a Creeping Concept Between Science and Ideology. De reeks wil eugenetica niet alleen historisch situeren, maar ook onderzoeken hoe het begrip vandaag opnieuw opduikt in wetenschap, politiek en maatschappelijke debatten. Tijdens de openingssessie van 17 februari viel echter vooral op hoe slordig begrippen als wetenschap, pseudowetenschap en ideologie door elkaar werden gebruikt en hoe eugenetica meteen op normatieve gronden werd beoordeeld.
Prof. dr. Gertrudis Van de Vijver. © Astrid Elbers
Onderzoekster Clemence Van Ginneken gebruikte het werk van kunstenares Panteha Abareshi als visuele en thematische toegangspoort tot de lezingenreeks. Abareshi, die onder meer aan sikkelcelanemie lijdt, stelt in haar praktijk chronische ziekte, lichamelijke kwetsbaarheid en medische monitoring centraal. In haar werk verschijnt het lichaam als iets dat voortdurend wordt gemeten, geclassificeerd en geobjectiveerd. Ze toont het lichaam als een canvas waarop maatschappelijke normen, technologische verwachtingen en ideeën over optimalisering worden geprojecteerd. Haar kunst fungeert zo niet als directe illustratie van eugenetica, maar als kritische reflectie op de logica van maakbaarheid en normalisering die ook in eugenetisch denken een rol speelt.
Francis Galton
Seppe Segers, professor ethiek en moraalwetenschap, ging in op het ontstaan van de eugenetica. Hoewel de geschiedenis al vroeger begint, werd het begrip geïntroduceerd door Francis Galton in 1883 in Inquiries into the Human Faculty. Daar stelde hij eugenetica voor als de bevordering van ‘goede geboorte’: het idee dat eigenschappen zoals schoonheid, intelligentie of morele kwaliteiten erfelijk zijn en dat ‘meer geschikte’ bloedlijnen meer kansen zouden moeten krijgen om zich voort te planten.
Galton, statisticus, wiskundige en sterk beïnvloed door Darwin – hij was een halve neef van hem – had een uitgesproken fascinatie voor meten en classificeren. Zijn neiging om alles te kwantificeren – van het perfecte kopje thee tot een ‘beauty map’ van Londen – illustreerde zijn geloof in de meetbaarheid van menselijke eigenschappen. Die meetdrang uitte zich ook in zijn bezorgdheid over de vermeende achteruitgang van het Britse volk. Hij ging ervan uit dat eigenschappen als intelligentie, agressie of opvliegendheid erfelijk overdraagbaar waren en wilde dat natuurlijke evolutieproces bijsturen.
Deze ideeën vielen niet uit de lucht, aldus Segers. Er bestonden al normatieve overtuigingen over verschillende ‘soorten’ mensen – slimme en domme, sterke en zwakke, moreel verheven en moreel inferieure mensen. Die essentialiserende denkbeelden maakten deel uit van een bredere context van imperialisme, kapitalisme, industrialisering en racialisering. Evolutietheorie, statistiek en antropologie gaven deze reeds bestaande overtuigingen vervolgens een laag van schijnbare wetenschappelijke rechtvaardiging.
Segers benadrukte bovendien dat eugenetica zich niet beperkte tot één as van onderscheid. In Groot-Brittannië draaide het aanvankelijk rond klasse en het beschermen van de privileges van de elite. In de Verenigde Staten verschoof de nadruk sterker naar ras. Migratiebeleid en burgerschapsdiscussies werden doordrongen van het idee dat bepaalde groepen – ‘undesirables’ – een biologische en sociale last vormden. Onder die noemer vielen niet alleen raciale groepen, maar ook alcoholisten, anarchisten, gehandicapten, armen, politieke dissidenten en mensen met besmettelijke ziekten. Eugenetica werd zo een kader waarin uiteenlopende vormen van uitsluiting als biologisch probleem konden worden voorgesteld.
Positieve eugenetica wilde voortplanting van ‘geschikten’ stimuleren. Negatieve eugenetica richtte zich op het beperken of verhinderen van voortplanting bij ‘ongeschikten’. In de praktijk nam dat de vorm aan van opsluiting, deportatie of gedwongen sterilisatie. Zulke maatregelen werden aanvankelijk vaak gepresenteerd als sociaal progressief, democratisch of zelfs humanitair – bijvoorbeeld door opsluiting voor te stellen als menselijker dan executie, of sterilisatie als rationele manier om maatschappelijke kosten te beperken.
Idéologie scientifique
Om aan te tonen dat eugenetica zich ergens tussen wetenschap en ideologie bevindt, verwees Dries Josten naar de Franse arts en wetenschapsfilosoof Georges Canguilhem en diens essay Qu’est-ce qu’une idéologie scientifique? (1970). Hij citeerde onder meer: ‘Als beperkte theoretische conclusies, los van hun premissen en vrij van hun context, worden uitgebreid naar de gehele menselijke ervaring (…) met welk doel wordt deze besmetting met wetenschappelijkheid dan nagestreefd? Dat doel is praktisch. Ideologie fungeert als zelfrechtvaardiging van de belangen van een bepaald type samenleving.’ (p. 43)
Prof. Dr. Seppe Segers. © Astrid Elbers
Volgens Canguilhem ontstaat een idéologie scientifique wanneer wetenschappelijke kennis haar eigen grenzen overschrijdt en wordt uitgebreid naar domeinen waarvoor zij niet bedoeld of gerechtvaardigd is. Hij verwijst naar Herbert Spencer, die Darwins evolutietheorie extrapoleerde naar de samenleving en stelde dat sociale ongelijkheid het gevolg was van natuurlijke verschillen in aanpassingsvermogen.
Canguilhem geeft de eugenetica niet als voorbeeld en de vraag dringt zich volgens ons op of zijn theorie daar überhaupt bruikbaar voor is. Bij eugenetica gaat het immers niet om een wetenschappelijke theorie die wordt geëxtrapoleerd naar een ander domein, zoals bij sociaal darwinisme.
Bovendien is een idéologie scientifique bij Canguilhem niet per se negatief. Hij schrijft immers: ‘Er is altijd een wetenschappelijke ideologie voorafgaand aan de wetenschap in het vakgebied waar de wetenschap zich uiteindelijk zal vestigen; er is altijd een wetenschap voorafgaand aan een ideologie, in een aanverwant vakgebied waarop deze ideologie zich indirect richt.’ (p. 44) Deze uitspraak heeft geleid tot kritische kanttekeningen, onder meer door Etienne Balibar.
Sommige sprekers gebruikten de term ‘pseudowetenschap’ om eugenetica te typeren. Maar pseudowetenschap is – als we Canguilhem volgen – niet te rijmen met een idéologie scientifique. De verwijzingen naar Canguilhem leken dus eerder op vrijblijvende cherrypicking.
Pseudowetenschap, ras en dysgenetica
Dr. Pieter Beck verwees naar hedendaagse rassentheorieën als pseudowetenschap. Daarbij stelde hij dat er geen gronden zijn om mensen in rassen in te delen en dat daarover een wetenschappelijke consensus bestaat. Dat klopt niet: ‘ras’ wordt nog steeds als relevante en noodzakelijke categorie gebruikt in de medische wereld.
Hij wees ook op banden van bepaalde onderzoekers met extreemrechts en op online magazines waaraan iedereen kan bijdragen, zoals Aporia. Daar verschijnen inderdaad ideeën rond ‘white supremacy’ en is er geen kwaliteitscontrole. Maar dat is een drogredenering van guilt by association die niets zegt over de kwaliteit van het onderzoek zelf. Bovendien hebben ook gerenommeerde wetenschappers bijgedragen aan Aporia, onder wie cognitief psycholoog Steven Pinker van Harvard, sociaal psycholoog Sander van der Linden van Cambridge en neurowetenschapper Richard Haier, voormalig hoofdredacteur van het wetenschappelijke tijdschrift Intelligence.
Ook ‘dysgenics’ of dysgenetica werd als pseudowetenschappelijke theorie bestempeld tijdens de lezing. Dysgenetica is de idee dat de genetische kwaliteit van een populatie achteruitgaat doordat mensen met genetische eigenschappen die als nadelig worden beschouwd zich relatief vaker voortplanten. Volgens Beck zouden er ‘geen bona fide wetenschappers’ zijn die zich daarmee bezighouden. Maar ook dat is niet correct.
Dr. Pieter Beck. © Astrid Elbers
Heel wat internationale wetenschappers hebben de voorbije jaren immers uitgebreid gepubliceerd over dysgenics in gerenommeerde tijdschriften met peerreview. Zo biedt een overzichtsartikel in Personality and Individual Differences (Reeve, Heeney & Woodley of Menie, 2018) een synthese van onderzoek naar de relatie tussen cognitieve vaardigheden van ouders en het aantal kinderen dat zij krijgen. Daarnaast tonen meerdere grootschalige genetische studies aan dat mensen met hogere intelligentie gemiddeld minder kinderen krijgen. Dat patroon lijkt samen te gaan met een afname van genetische varianten die geassocieerd zijn met opleidingsniveau – wat positief correleert met intelligentie – in landen zoals de Verenigde Staten (Hugh‑Jones & Edwards, 2024), het Verenigd Koninkrijk (Hugh‑Jones & Abdellaoui, 2022) en IJsland (Kong et al., 2017).
Demarcatie en relativisme
Opvallend was overigens dat de sprekers geen helder antwoord konden geven op wat zij zelf als slechte wetenschap of pseudowetenschap beschouwen. Pieter Beck verklaarde zelfs niet te geloven in demarcatiecriteria: volgens hem moet men kijken naar wat de gemeenschap op een bepaald moment ‘acceptabel’ vindt. Dat is natuurlijk de deur openzetten naar relativisme, waarbij populair maar methodologisch zwak onderzoek aan boord gehouden kan worden en degelijk maar onpopulair onderzoek kan worden gecanceld.
Professor filosofie Gertrudis Van de Vijver benadrukte dat zij niet goed weet wat precies onder pseudowetenschap moet worden verstaan, of wanneer we iets ‘slechte wetenschap’ moeten noemen. Ze verwees naar Josef Mengele: zijn experimenten waren gruwelijk, maar maakt dat ze automatisch tot slechte wetenschap? Volgens haar moet je vóór je zulke labels gebruikt eerst de fundamentele vraag stellen: wat is het object van die wetenschap? Wat onderzoekt biologie eigenlijk? Wat is het object van psychologie? En wat is het object van geneeskunde: organen, het organisme, of het subject? Ze erkent dat begrenzing noodzakelijk is, maar dat het onduidelijk blijft in naam waarvan wetenschap moet worden begrensd: moreel, politiek, juridisch, of op basis van epistemische criteria die zelf onduidelijk blijven. In dat kader verwees ze ook naar Adolf Eichmann en de gevaren van blind regelvolgen, blijkbaar niet wetende dat die mythe van Eichmann als louter volger van regels al lang is weerlegd.
De vraag is of eugenetica überhaupt iets met wetenschap te maken heeft. Thomas Matthew Morgan lijkt gelijk te hebben wanneer hij stelt: genetica is wetenschap; eugenetica is beleid. Wetenschappelijke inzichten kunnen beleidsmatig worden ingezet, net zoals een overheid economische kennis gebruikt om werkloosheid te bestrijden, maar dat maakt het beleid zelf nog geen wetenschap.
Los van de vraag wat precies tot eugenetica behoort — horen bepaalde genetische screenings daar ook bij? — zijn er uiteraard belangrijke ethische vragen rond eugenetisch beleid. Is het bijvoorbeeld ethisch om het IQ van de bevolking te willen verhogen via genetische ingrepen? Maar zulke vragen staan los van de wetenschappelijke beoordeling van de genetica zelf, net zoals de morele beoordeling van atoombommen losstaat van de wetenschappelijke beoordeling van kernfysica.
Wat tijdens deze avond vooral opviel, was dat de sprekers zelf geen helder idee hadden van wat wetenschap, pseudowetenschap of slechte wetenschap precies is, maar dat zij de eugenetica wél meteen op normatieve gronden beoordeelden. En dat laatste is ironisch genoeg precies wat zij de eugenetica zelf verweten.
Dr. Astrid Elbers
Universiteit Antwerpen
De auteur is kernlid van Hypatia