Filosoof Stephen Hicks: ‘Veel problemen in de academische wereld hebben hun wortels in het postmodernisme’

Gepubliceerd op 3 mei 2026 om 11:53

‘Veel problemen in de academische wereld vandaag – denk aan de opschudding aan de UGent rond de aanstelling van rassenrealist Nathan Cofnas – hebben hun wortels in het postmodernisme’, zegt de Amerikaans-Canadese filosoof Stephen Hicks. Hij benadrukt het belang van academische vrijheid om dichter bij de waarheid te komen. ‘Maar zodra je zoals de postmodernisten niet eens meer gelooft dat we tot objectieve kennis van de waarheid kunnen komen, ondergraaf je dat hele systeem.’ 

Stephen Hicks (gebruikt met toestemming van SH)

Stephen Hicks is vooral bekend van Explaining Postmodernism. Skepticism and Socialism from Rousseau to Foucault, een boek waarin hij de intellectuele wortels van het postmodernisme blootlegt. In april was hij in Vlaanderen voor een lezingenreeks aan de Universiteit Antwerpen. We spraken met hem over de historische ontwikkeling van het modernisme, de opkomst van het postmodernisme en de impact ervan op het hedendaagse intellectuele klimaat.

Kan u uitleggen wat het postmodernisme is en hoe dat verschilt van het modernisme?

Stephen Hicks: Het postmodernisme verwierp het modernisme dat eraan voorafging. Dat modernisme ontstond in de 16de eeuw en bracht op verschillende vlakken een ingrijpende omwenteling. Markante historische gebeurtenissen, zoals Columbus die de oceaan overstak, en vernieuwende denkers zoals René Descartes, Francis Bacon en iets later John Locke doorbraken het premoderne wereldbeeld radicaal.

Wat het modernisme vooral kenmerkt, is een toegenomen focus op de natuur en een afwijzing van puur bovennatuurlijke verklaringen. In plaats van geloof en traditie kwam de nadruk te liggen op de rede: mensen moesten zelf nadenken en de wereld rationeel proberen te begrijpen. Daarnaast kwam het individu centraal te staan. Mensen waren niet langer alleen lid van een klasse, maar ze werden zelfstandig denkende, autonome individuen. Ook inzake religie: het opkomende protestantisme benadrukte dat iedereen zelf de Bijbel kan lezen en interpreteren.

'De postmodernisten verwierpen de hele erfenis van het modernisme: het naturalisme, het vertrouwen in de rede, het individu en alles wat daaruit was voortgevloeid'

Die nadruk op natuur, rede en individu had grote gevolgen. Vrouwen werden almaar meer gezien als redelijke individuen met morele verantwoordelijkheid, wat leidde tot eisen over vrijheid en gelijkheid. Ook slaven werden erkend als mensen met rechten, waardoor slavernij moreel problematisch werd. Politiek evolueerde men weg van feodale systemen naar meer democratische vormen met nadruk op individuele rechten, vrijheden en het idee van fundamentele gelijkheid.

Tegelijk zorgde de wetenschappelijke vooruitgang voor tal van innovaties en uiteindelijk ook voor de industriële revolutie.

De postmodernisten verwierpen die hele erfenis: het naturalisme, het vertrouwen in de rede, het individu en alles wat daaruit was voortgevloeid.

‘Alle waarheid is relatief’ is volgens u een stelling die voortkomt uit het postmodernisme. Maar kan u dat wel zo scherp stellen? De Franse postmodernist Michel Foucault ontkende bijvoorbeeld niet het bestaan van waarheid. Hij stelde dat elke samenleving een ‘waarheidsregime’ voortbrengt, gevormd door instituties en machtsverhoudingen.

Het postmodernisme is natuurlijk een grote school met veel denkers tussen wie er heel wat individuele verschillen zijn. Sommige denkers gaan verder dan andere in dat waarheidsrelativisme. En hoe Foucault dacht over waarheid evolueerde ook. Maar een individu kon volgens hem nooit objectief de waarheid leren kennen, omdat die waarheid ‘gemedieerd’ wordt door iets anders. Met andere woorden: er zit altijd iets ’tussen’ de waarheid en het individu. Een individu bekijkt de werkelijkheid namelijk door de bril van een vooraf bepaald denkkader, een taal …

Het werkt dus niet zo dat ik vanuit mijn positie een deel van de waarheid zie, u vanuit uw positie een ander deel, en dat we door onze perspectieven samen te leggen uiteindelijk de volledige waarheid krijgen.

Nee, zo werkt het postmodernisme inderdaad niet. Het gaat ervan uit dat je nooit kan ontsnappen uit je eigen perspectief.

Wanneer we over het postmodernisme spreken, denken we meestal aan filosofen die sinds de jaren 1950 actief zijn. Toch plaatst u de oorsprong ervan al bij de contra-verlichting, met Immanuel Kant als een sleutelfiguur. Waarom?

Ik denk dat dat het meest controversiële deel van mijn boek is. Sommigen zien Kant als de ‘redder’ van de rede, anderen – onder wie ik – vinden dat hij de rede verlaat. De copernicaanse wending van Kant bestaat er namelijk in dat we de mogelijkheid tot objectieve kennis moeten opgeven. Er bestaat volgens hem wel een werkelijkheid buiten ons, de zogenaamde noumenale werkelijkheid. Daarnaast is er de fenomenale werkelijkheid, de werkelijkheid zoals die aan ons verschijnt.

En, zegt Kant, na tweeduizend jaar filosofie is het duidelijk geworden dat we geen enkel middel hebben om een brug te slaan tussen die twee. Daarom moeten we ophouden te spreken over de noumenale werkelijkheid en erkennen dat de werkelijkheid zoals ze ons voorkomt, gevormd wordt door subjectieve ideeën, filters en constructies waarvan we ons niet bewust zijn.

'Het kapitalisme had toen al bewezen dat het het beste systeem was'

We verwerpen dus objectiviteit en erkennen dat we opgesloten zitten in een subjectieve werkelijkheid. En daarop hebben dan later Schopenhauer, Nietzsche en Heidegger voortgebouwd en nog later de postmodernisten. Foucault zei trouwens zelf dat hij een nietzscheaan was.

Al die prominente postmodernisten – Michel Foucault, Jacques Derrida, Jean-François Lyotard en Richard Rorty – zijn radicaal-links. Uw hypothese is: het postmodernisme is de strategie van academisch radicaal-links om om te gaan met de mislukking van het socialisme. Kan u dat uitleggen?

Die postmoderne ideeën zijn op zich natuurlijk niet noodzakelijk radicaal-links. In theorie kunnen mensen uit het hele politieke spectrum waarheidsrelativisten zijn. Maar het is opvallend dat in de jaren 50 en 60 precies een groep jonge, briljante filosofen opstaat die niet alleen academisch vernieuwend zijn, maar ook politiek geëngageerd en zonder uitzondering radicaal-links.

Maar tegen die tijd was overal duidelijk geworden dat het socialisme had gefaald. Marx voorspelde in 1848 dat de revolutie nabij was en dat het kapitalisme snel zou instorten. Een eeuw later was daar niets van gebleken. Integendeel: de Sovjet-Unie, jarenlang bewonderd door linkse intellectuelen, was uitgegroeid tot een mensenrechtelijke catastrofe, met martelingen, verdwijningen en de onderdrukking van studenten en denkers. Het kapitalisme had toen al bewezen dat het het beste systeem was.

'Veel problemen in de academische wereld vandaag hebben hun wortels in het postmodernisme'

De rationele reactie zou geweest zijn dat die intellectuelen hun radicaal-linkse overtuigingen herbekeken in het licht van die feiten. Maar voor velen was dat bijzonder moeilijk. In plaats daarvan gingen sommigen het relativisme van het postmodernisme gebruiken als strategie om kritiek te ontwijken.

We weten trouwens dat dat ook bij religie gebeurt: mensen geloven in iets, maar wanneer dat geloof onder druk komt te staan, zeggen ze dat het allemaal een kwestie van semantiek is, of dat er eigenlijk geen vaste waarheid bestaat. Ze gaan dan als het ware spelen met taal.

Heeft het postmodernisme een invloed op de academische vrijheid volgens u?

Absoluut. Veel problemen in de academische wereld vandaag hebben hun wortels in het postmodernisme.

Academische vrijheid is cruciaal om dichter bij de waarheid te komen. Dat wil ook zeggen dat we de mensen die naar die waarheid zoeken moeten beschermen. Ze mogen bijvoorbeeld niet gecanceld worden omdat ze onwelgevallige standpunten uiten. Maar als je niet eens meer gelooft dat we tot objectieve kennis van de waarheid kunnen komen, dan ondergraaf je dat hele systeem natuurlijk.

Maar kunnen we postmoderne denkers - vooral Foucault dan met zijn analyse van machtsstructuren - niet juist gebruiken om woke te bekritiseren en om academische vrijheid te verdedigen?

Goh, ik kan begrijpen dat je in die verleiding komt. Je kan postmoderne argumenten inderdaad gebruiken om bepaalde ideeën en autoritaire aanspraken te ondergraven. Maar dat is hooguit een tactische zet. Strategisch ligt het anders: voor postmodernisten bestaat er in wezen namelijk helemaal geen vrijheid. Het idee dat mijn geest vrij is, dat ik er controle over heb, dat ik autonoom kan worden en me kan losmaken van sociale druk of van mijn eigen vooroordelen is voor hen allemaal een mythe. Volgens hen zitten we vast: in onze taal, in onze werkelijkheid, in sociale constructies of in politieke regimes. Vanuit dat perspectief is academische vrijheid vanaf het begin een non-starter.

U stelt dat ook overheidsfinanciering een bedreiging vormt voor de academische vrijheid. Maar België staat in de wereldwijde top 5 van 179 landen in de Academic Freedom Index, terwijl de universiteiten er vooral door de overheid worden gefinancierd. Hoe verklaart u dat dan?

U hebt gelijk wanneer u zegt dat het inderdaad niet zozeer het probleem is waar het geld vandaan komt. Doorslaggevend is welk belang de interne cultuur aan academische vrijheid hecht. Maar natuurlijk geldt ook: wiens brood men eet, diens woord men spreekt.

Maar in België is de academische vrijheid ook wettelijk stevig verankerd. Kan dat er iets mee te maken hebben dat het hier zo goed loopt?

Natuurlijk. Maar wetten zijn politieke beslissingen en die kunnen altijd worden teruggedraaid. Wanneer zulke wetten ook cultureel stevig verankerd zijn – zoals dat blijkbaar in België het geval is – is dat uiteraard positief. In de Verenigde Staten ligt dat heel anders. Daar proberen we een institutionele scheiding te creëren tussen de overheidsfinanciering en de beslissingen over het curriculum en dergelijke. Alleen is dat een strijd die telkens opnieuw gevoerd moet worden: elk jaar, elk decennium, elke generatie.

De Universiteit Gent heeft onlangs de filosoof Nathan Cofnas aangesteld, die zichzelf een rassenrealist noemt en IQ-verschillen tussen menselijke rassen bestudeert. Zijn aanstelling leidde tot hevige protesten. Hoe moeten universiteiten omgaan met dat soort onderzoek?

Ten eerste is het belangrijk dat we niet bang zijn. Vaak zie je dat onpopulaire meningen meteen een instinctieve angstreactie oproepen. Men denkt dat die richting van redeneren bedreigend is en direct om een tegenreactie vraagt. Of het nu gaat om rassenrealisme, om een bepaalde religie, om sekseverschillen … Elke generatie heeft een paar van die grote kwesties met verdedigers van standpunten die ver buiten de mainstream liggen. En dat is heel normaal. 

'Ik ben een groot voorstander van viewpoint diversity'

Ten tweede moeten we positief denken: denk aan het ideaal van een universiteit die liberaal onderwijs biedt. Dat is precies waar academische vrijheid om draait. We willen mensen die grenzen verleggen, die fundamenten opnieuw onderzoeken en bevragen. Dat geldt ook voor de fundamenten die we lange tijd als vanzelfsprekend hebben beschouwd. Dat moeten we juist aanmoedigen. Het houdt onderzoekers scherp en het confronteert studenten elke generatie opnieuw met die fundamenten, met de argumenten voor en tegen en met de frontlijnen van het debat.

Ik ben een groot voorstander van viewpoint diversity, de diversiteit van standpunten. Universiteiten hebben alles nodig: marxisten, aanhangers van de kritische theorie, allerlei soorten feministen, pleitbezorgers van politiek islamisme, afrocentrische denkers, en hopelijk ook veel liberalen zoals ik en verdedigers van de verlichting. Al die mensen gaan dan hopelijk scherp met elkaar in debat.

Een veelgehoord woke tegenargument is dat politiek niet thuishoort aan een universiteit en dus ook geen viewpoint diversity, omdat dat objectief onderzoek in de weg zou staan.

Dat is onzin natuurlijk. Praten over politiek hoort absoluut thuis aan een universiteit.

En kan die diversiteit er ook toe leiden dat onderzoeksthema’s – zeker in de humane wetenschappen – vanuit meer verschillende hoeken bekeken worden, waardoor het onderzoek uiteindelijk beter wordt?

Uiteraard.

Als u naar het huidige intellectuele landschap kijkt, denkt u dan dat de invloed van het postmodernisme afneemt, toeneemt of een nieuwe fase ingaat?

Dat is een moeilijke vraag. Volgens mij is het postmodernisme intellectueel quasi dood. De laatste twintig jaar heb ik in dat verband immers inhoudelijk niets nieuws gelezen dat van enige betekenis is.

Maar ik denk dat het institutioneel nog altijd leeft. In het onderwijs en in het intellectuele leven is het nog diep geworteld. Maar ook daar denk ik de laatste tien jaar een kentering te zien. En dat hebben we te danken aan enkele uitstekende academici zoals de psychologen Jonathan Haidt, Steven Pinker en Jordan Peterson. Op een bepaald moment hebben zij gezegd dat er iets grondig mis was met ons hoger onderwijs. En dat deden ze niet enkel binnen de muren van de universiteiten, maar ook in de publieke ruimte.

Niet alleen de universiteiten zelf werden zich daardoor bewust dat er een probleem was, maar ook buiten de universiteiten drong dat besef door. Ouders gingen bijvoorbeeld ook kritisch kijken naar wat er gedaan werd op de scholen van hun kinderen. En dat is volgens mij een belangrijk keerpunt geweest.

Dr. Astrid Elbers

Universiteit Antwerpen

De auteur is kernlid van Hypatia

Dit interview verscheen eerder in licht aangepaste vorm in Doorbraak en werd overgenomen met toestemming van de hoofdredacteur.