In zijn boek Hate Speech and Democratic Citizenship (2016) verdedigt Heinze de controversiële stelling dat wetten tegen haatspraak de democratische legitimiteit ondergraven. We spraken met hem over vrije meningsuiting, nazi-Duitsland, democratie, Trump en de macht van Big Tech.
‘Als we haatspraak niet aan banden leggen, kan er opnieuw gebeuren wat er in nazi-Duitsland is gebeurd.’ Dat horen we vandaag vaak. En dus wordt zogenaamde haatspraak steeds meer door wetgeving aan banden gelegd. Maar die vergelijking met nazi-Duitsland gaat volgens u niet op. U noemt die de Weimar fallacy. Waarom? Eric Heinze:“Je kan de Weimarrepubliek – de periode tussen 1918 en 1933 waarin Hitler zijn politieke opgang maakte – niet vergelijken met veel hedendaagse volwaardige democratieën. Ik heb het dan over de meeste landen in West-Europa, maar ook Japan, Costa Rica, Mauritius ... De Democracy Index, die jaarlijks wordt gepubliceerd door de Economist Intelligence Unit, noemt deze landen ‘full democracies’. Dat sluit aan bij wat ik ‘LSPD’s’ of ‘Longstanding, Stable, and Prosperous Democracies’ (langdurig gevestigde, stabiele en welvarende democratieën) noem.
Dat soort democratieën bestond nog niet vóór de jaren 60. Daarvóór hadden vrouwen immers in veel landen nog geen stemrecht en waren er nog koloniale rijken. En ook vandaag kunnen slechts een goede twintig landen zich kwalificeren als LSPD's. (Zelfs België is volgens de Democracy Index op dit moment net geen ‘full democracy’.) Dat wil dus zeggen dat de eisen om deze status te bereiken zeer hoog, maar niet onrealistisch zijn.
In een LSPD zijn de democratische gewoonten, waarden en instellingen sterk verankerd geraakt door de tijd heen. Burgers groeien er op met het idee dat meningen mogen verschillen, dat politieke conflicten via correcte procedures worden opgelost en dat gezag ter discussie kan worden gesteld.
De Weimarrepubliek was helemaal geen LSPD. Het was een democratie op papier, een ‘democratie zonder democraten’. De burgers daar waren opgegroeid in een cultuur die sterk de nadruk legde op gehoorzaamheid, gezag en hiërarchie.
In een non-LSPD zijn wetten tegen haatspraak misschien te rechtvaardigen. Maar een volwassen democratie zoals een LSPD heeft andere manieren om met haat om te gaan. Bovendien brengen wetten tegen haatspraak de democratische legitimiteit zelf in gevaar. Die Weimar fallacy is trouwens een redenering die louter op speculatieve gronden rust. Er zijn door de geschiedenis heen tal van samenlevingen geweest waarin haatspraak voorkwam zonder dat die uitmondde in een genocide of totalitarisme. Als je dan zegt dat haatspraak een doorslaggevende factor was van wat in nazi-Duitsland gebeurd is, laat je de vele andere factoren van de ondergang van de Weimarrepubliek buiten beschouwing.”
Trouwens: het populaire idee dat men de nazi’s hun gang liet gaan, hun ideeëngoed salonfähig maakte en Hitler daardoor aan de macht kwam, klopt historisch ook niet.
“Inderdaad. In de Weimarrepubliek werden naziactivisten geregeld vervolgd en nationaalsocialistische publicaties gecensureerd. Toch heeft dat de machtsgreep van de nazi’s niet verhinderd. De les van Weimar kan dus niet eenvoudigweg zijn dat meer censuur een oplossing zou zijn geweest. Bovendien maakt censuur een democratie kwetsbaar voor de beschuldiging dat zij zich bezighoudt met – ondemocratische – politieke vervolging.”
U had het daarnet al over de democratische legitimiteit. Wetten tegen haatspraak ondergraven die legitimiteit en zijn dus uit den boze in een LSPD.
“Precies. Democratische legitimiteit gaat niet alleen over bijvoorbeeld verkiezingen. Ze vereist ook dat burgers kunnen deelnemen aan het publieke discours zonder door de staat te worden bestraft voor hun standpunten, zelfs als die standpunten antidemocratisch zijn. Het is niet zo dat een LSPD helemaal geen democratie meer is als er wetten tegen haatspraak zijn. Zweden bijvoorbeeld is een sterke democratie. Toch verliest het land aan democratische legitimiteit doordat haatspraak er aan banden wordt gelegd.
Ik zeg trouwens niet graag dat we ‘vrije meningsuiting’ nodig hebben voor democratische legitimiteit, want die formulering is zo vaag dat ze betekenisloos wordt. Absolute vrije meningsuiting kan trouwens niet bestaan. Maar het gaat over wat ik het burgerlijke prerogatief van niet-standpuntbestraffende uitingen in het publieke discours noem. Ik weet het. Dat is een hele mond vol, maar ik vind er geen beknoptere term voor. (lacht)
'Sommige standpunten zijn inderdaad intellectueel minderwaardig of moreel verwerpelijk. We mogen die ook fel bekritiseren. Denk aan mensen die abortus willen verbieden en vrouwen die daarvoor kiezen, online of in de massamedia, afschilderen als ‘babymoordenaars’'
Voor alle duidelijkheid: het is volkomen legitiem voor een democratie om uitingen te verbieden die onmiddellijke en onbeheersbare risico's met zich meebrengen, zoals het openlijk beledigen van vreemdelingen op straat, wat tot plotseling geweld kan leiden. Zelfs de Amerikaanse grondwet beschermt–- in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht – dat soort uitingen niet. Het probleem is dat veel democratieën verder gaan en uitingen bestraffen puur op basis van een verwerpelijke wereldvisie die erin wordt geuit.
Zoals ik al zei: haat en haatspraak zijn niet ongevaarlijk. Toch hebben we in een LSPD andere middelen om intolerantie tegen te gaan zoals onafhankelijke instellingen, voldoende materiële middelen, een antidiscriminatiewetgeving, een robuust publiek debat en onderwijs dat aandacht heeft voor pluralisme, democratie en inclusiviteit. Juist omdat zulke democratieën over die middelen beschikken, kunnen zij kwetsbare groepen beschermen zonder burgers voor hun opvattingen te bestraffen.”
Een LSPD gaat intolerantie tegen en heeft aandacht voor pluralisme, democratie en inclusiviteit, zegt u net. Dat impliceert dan toch dat standpunten niet gelijkwaardig zijn? Een standpunt voor discriminatie of tegen democratie is in die optiek toch minderwaardig?
“Dat klopt. Een staat kan en mag niet waardeneutraal zijn. Een LSPD moet pluralisme, inclusiviteit en non-discriminatie actief bevorderen. Ze moet via onderwijs, media en het maatschappelijk middenveld burgers confronteren met historische misstanden zoals racisme, seksisme, heteronormativiteit, kolonialisme of de Holocaust. Ze moet inclusieve opvattingen van burgerschap stimuleren en kwetsbare groepen beschermen tegen discriminatie en geweld.
Sommige standpunten zijn inderdaad intellectueel minderwaardig of moreel verwerpelijk. We mogen die ook fel bekritiseren. Denk aan mensen die abortus willen verbieden en vrouwen die daarvoor kiezen, online of in de massamedia, afschilderen als ‘babymoordenaars’. Naar mijn mening is dat een moreel verwerpelijke boodschap. Toch mag een LSPD mensen die zulke standpunten uiten niet straffen. Dat is precies het onderscheid dat ik maak.”
In het debat over haatspraak worden liberalisme en democratie vaak als synoniemen behandeld. Maar u maakt een duidelijk onderscheid tussen beide. U schrijft zelfs dat de vraag ‘Hoeveel vrijheid van meningsuiting moeten we racisten geven?’ perfect verenigbaar is met een liberale manier van redeneren, maar democratisch problematisch is. Waarom?
“Binnen een liberaal kader is het volkomen logisch om te vragen hoeveel vrijheid van meningsuiting we moeten toestaan aan racisten, extremisten of andere groepen. De liberale theorie vertrekt immers van zaken als rechten, belangen en schade. We maken daar constant een afweging tussen de vrijheid van de spreker enerzijds en zaken als menselijke waardigheid, gelijkheid of veiligheid anderzijds.
Maar die vraag naar het spreekrecht van racisten veronderstelt al dat vrijheid van meningsuiting een gunst is die de staat aan burgers verleent. En in een democratie is vrije meningsuiting niet zomaar één recht naast vele andere rechten. Ze vormt een essentieel onderdeel van het burgerschap zelf. Stemmen is uiteindelijk niets meer dan een geformaliseerde vorm van een fundamenteler prerogatief, namelijk het recht van burgers om deel te nemen aan het publieke discours.”
U zegt dat we wetten tegen haatspraak niet alleen mogen beoordelen op hun gevolgen. Waarom?
“Dat klopt. Ik spreek in dat verband over een consequentialistische tegenover een deontologische benadering. Een consequentialistische benadering beoordeelt een wet op basis van haar gevolgen. Dan stelt men vragen zoals: leidt een verbod op haatspraak tot minder haatmisdrijven, minder discriminatie of meer sociale cohesie?
Voor een non-LSPD is het legitiem om zulke vragen te stellen, hoewel het ook voor non-LSPD’s nooit is aangetoond dat een verbod op haatspraak positieve gevolgen heeft. Maar in een LSPD mag je vragen of zulke verboden werken zelfs niet stellen. Vrije deelname aan het publieke discours is immers een fundamentele voorwaarde voor democratisch burgerschap. Daar moeten we de deontologische vraag stellen welke voorwaarden vervuld moeten zijn opdat de democratie legitiem is.”
U schrijft dat geen enkele staat de doodstraf op democratische gronden legitiem kan handhaven. Dat geldt dus ook wanneer pakweg 90 procent van de bevolking voor de doodstraf is?
“Zeker en vast. Het feit dat een meerderheid iets wil, maakt het nog niet democratisch legitiem. Anders zouden we ook kunnen zeggen dat een meerderheid mag beslissen dat moslims geen vrijheid van meningsuiting meer hebben. En dat kan natuurlijk niet. Ook bij de doodstraf is dat zo. Wanneer de staat iemand executeert, ontneemt hij die persoon definitief zijn status als burger en deelnemer aan de politieke gemeenschap. Daarom kan de doodstraf nooit democratisch worden gerechtvaardigd.
Daar zit precies het verschil tussen een loutere meerderheidsdemocratie en een constitutionele democratie. Bepaalde voorwaarden zijn fundamenteel voor democratisch burgerschap en mogen niet zomaar worden opgeheven omdat een meerderheid dat wenst.”
Dat standpunten niet bestraft mogen worden, wil volgens u wel niet zeggen dat staatsmedia verplicht zijn alle standpunten aan bod te laten komen. Maar staatsmedia hebben in principe toch een democratische functie? Als ze enkel wenselijke standpunten laten horen, dreigt dan geen paternalisme of indoctrinatie?
“Ik denk niet dat er een eenvoudige formule bestaat voor wat media precies aan bod moeten laten komen en wat niet. Bijvoorbeeld in Vlaanderen komen extreemrechtse stemmen meer aan bod dan in Wallonië, omdat extreemrechts in Vlaanderen nu eenmaal een electorale realiteit is.
Tegelijk vind ik niet dat staatsmedia verplicht zijn om elke opvatting een platform te geven. Redactionele keuzes zijn onvermijdelijk. Democratische legitimiteit verbiedt de staat om straffen op te leggen voor onaanvaardbare standpunten, maar vereist niet dat alle standpunten evenveel zendtijd krijgen.
'Stel je voor dat je bij McDonald’s werkt en een klant bestelt een cheeseburger en je antwoordt ‘Fuck you!’ Uiteraard kom je er dan niet mee weg door je op je vrije meningsuiting te beroepen'
Bovendien bestaat er ook in de media niet zoiets als volledige neutraliteit. Waarden zoals objectiviteit, pluralisme, evenwicht en professionele journalistiek zijn zelf ook al liberaal-democratische waarden. De vraag is ook niet alleen hoeveel aandacht bepaalde stemmen krijgen, maar ook met welke mate van kritische afstand ze bekeken worden.”
Maar hebben staatsmedia niet de plicht om te tonen wat er leeft in de samenleving?
“Ik begrijp die bezorgdheid. En inderdaad, wanneer bepaalde opvattingen breed leven onder de bevolking, ontstaat er een probleem als media doen alsof die niet bestaan. Dan dreigt men een vertekend beeld van de maatschappelijke werkelijkheid te geven.
Daarom hecht ik ook belang aan een pluralistisch medialandschap. Naast staatsmedia moeten er ook sterke private media bestaan. Juist die combinatie maakt het mogelijk dat verschillende maatschappelijke stromingen zichtbaar worden. Zo hebben burgers toegang tot verschillende perspectieven en kunnen ze zelf hun oordeel vormen.”
Als standpunten in een LSPD niet mogen worden bestraft, betekent dat dan ook dat ik een collega op het werk mag pesten en mij vervolgens kan beroepen op het feit dat ik gewoon een standpunt uit?
“Nee, natuurlijk niet. Een gewone werkplek is zelden een forum voor openbaar debat. Zowat alle verdedigers van een ruime vrijheid van meningsuiting erkennen dat een werkgever gedragsregels mag opleggen die nodig zijn om een organisatie te laten functioneren. Het is volstrekt geoorloofd om zaken als kleding en omgangsvormen met collega’s en klanten te reguleren. Stel je voor dat je bij McDonald’s werkt en een klant bestelt een cheeseburger en je antwoordt ‘Fuck you!’ Uiteraard kom je er dan niet mee weg door je op je vrije meningsuiting te beroepen. (lacht)
Toch is er ook een grijze zone. Stel dat je voor een linkse organisatie werkt en je laat je tijdens de lunchpauze ontvallen dat je voor een extreemrechtse partij stemt, dan wordt de situatie complexer. Maar pesterijen, intimidatie of doelgerichte persoonlijke aanvallen vallen niet onder wat ik bedoel met het burgerlijke prerogatief van niet-standpuntbestraffende uitingen in het publieke discours.”
Het populaire model van de ‘marktplaats van ideeën’ faalt volgens u voor de samenleving in haar geheel, maar kan binnen de universiteiten toch een rol spelen. Hoe verklaart u dat verschil?
“De ‘marktplaats van ideeën’ wordt vaak gebruikt ter rechtvaardiging van de vrije meningsuiting. Dat model gaat ervan uit dat ideeën met elkaar concurreren en dat de beste ideeën uiteindelijk zullen winnen. Maar dat klopt niet. Mensen en groepen nemen immers niet deel aan het publieke debat onder gelijke omstandigheden.
Vrije meningsuiting moet dus niet beschermd worden omdat waarheid vanzelf zou zegevieren in een vrije ideeënmarkt. Ze moet beschermd worden omdat burgers anders geen gelijke democratische status hebben. Dat is dus alweer een deontologisch argument.
'Bedrijven als Meta, X en Google zijn volgens mij machtiger dan de meeste regeringen. Ook moeten we erkennen dat die platformen geen democratieën zijn'
Binnen de universiteiten ligt dat anders. Daar gaat het niet om de voorwaarden van democratie, maar om een praktische vraag: welke methode helpt ons het best om kennis te produceren? Universiteiten brengen mensen samen die over gespecialiseerde kennis beschikken en die, ondanks hun onderlinge meningsverschillen, een gemeenschappelijk doel nastreven: betere medicijnen ontwikkelen, klimaatverandering tegengaan enzovoort. Onderzoekers hebben daar met zijn allen het doel om kennis te vergroten. In zo'n omgeving is het goed mogelijk dat een open confrontatie van ideeën tot betere resultaten kan leiden.”
Uw boek dateert van 2016, van voor Trump II. U beschouwde de Verenigde Staten als een LSPD. Maar volgens het Democracy Report 2026 van V-Dem is de Amerikaanse democratie onder Trump teruggevallen naar het niveau van 1965. Terwijl verkiezingen voorlopig overeind blijven, staan burgerrechten, rechtsgelijkheid en persvrijheid zwaar onder druk en concentreert de macht zich steeds sterker in het presidentschap. Wat betekent die evolutie voor uw LSPD-model?
“De huidige ontwikkelingen in de Verenigde Staten verrassen mij niet. Ik heb de Verenigde Staten nooit als een onbetwistbaar voorbeeld van een LSPD beschouwd, ook niet in mijn boek van 2016. Zelfs onder Obama al vond ik dat het een grensgeval was. Tot in de jaren zestig kende de Verenigde Staten zelfs nog een wettelijk verankerd systeem van rassenscheiding. Dus ook formeel is het land als geheel pas laat een LSPD geworden.
Ik verwijs vaak naar de Amerikaanse rechtspraak over vrije meningsuiting. Maar ik maak een onderscheid tussen bepaalde sterke principes uit de Amerikaanse rechtspraak en de bredere politieke en maatschappelijke realiteit van de Verenigde Staten. Dat laatste is eerder problematisch.
Wat vandaag gebeurt onder Trump weerlegt het LSPD-model niet. Het bevestigt eerder mijn opvatting dat de Verenigde Staten altijd al veel meer een grensgeval waren dan veel mensen dachten.”
Ook de invloed van sociale media op het democratische publieke debat is sinds het verschijnen van uw boek enorm toegenomen. Tegelijk zijn er nieuwe ontwikkelingen zoals grootschalige platformmoderatie en de Europese Digital Services Act. Heeft dat uw visie op de regulering van haatspraak veranderd?
“Mijn fundamentele visie op haatspraakwetgeving is niet veranderd. Alleen zou ik vandaag veel meer aandacht besteden aan sociale media en digitale platformen. Toen ik het boek schreef, wisten we nog niet dat die bedrijven als Meta, X en Google zoveel invloed zouden verwerven. Vandaag zijn zulke ondernemingen volgens mij machtiger dan de meeste regeringen. Daarom kunnen we ze niet langer louter als private bedrijven beschouwen. We moeten ze functioneel bekijken als een soort equivalenten van staten binnen de communicatiesfeer.
Ook moeten we erkennen dat die platformen geen democratieën zijn. Het zijn, om het zo te zeggen, geprivatiseerde non-LSPD's. De vraag wordt dan niet langer hoe een LSPD moet omgaan met haatspraak tussen burgers, maar hoe een LSPD zich moet verhouden tot deze machtige non-LSPD-actoren.”
Dr. Astrid Elbers
Universiteit Antwerpen
De auteur is kernlid van Hypatia
Deze tekst verscheen ook in Doorbraak Magazine van juni 2026 en werd overgenomen met toestemming van de hoofdredacteur.