KNAW verdedigt academische vrijheid, maar waar blijft de waarheidsvinding?

Gepubliceerd op 24 oktober 2026 om 17:43

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) pleit in twee nieuwe adviezen voor een sterkere bescherming van academische vrijheid en de vrije meningsuiting in de wetenschappelijke sector. Dat is een belangrijke stap vooruit. Toch roept vooral het tweede rapport fundamentele vragen op over de plaats van waarheidsvinding binnen de wetenschap, zoals historicus Steije Hofhuis onlangs opmerkte. Hoe verhouden academische vrijheid, maatschappelijk engagement en wetenschappelijke objectiviteit zich tot elkaar?

Het Trippenhuis in Amsterdam, thuisbasis van de KNAW. Afbeelding: Patrick Nouhailler's…, CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) publiceerde in oktober 2026 gelijktijdig twee adviezen: Vrijheid verankerd. Naar een versterkte juridische borging van academische vrijheid en Vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector. Kernwaarde van een open maatschappij.

Het eerste rapport is een bijzonder positief signaal. De Akademie pleit daarin voor een expliciete grondwettelijke bescherming van academische vrijheid, een versterking van de bestaande wettelijke bepalingen en aanvullende maatregelen binnen wetenschappelijke instellingen.

De academische vrijheid geniet in Nederland al juridische bescherming, onder meer via artikel 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs (WHW) en wetenschappelijk onderzoek, artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens – daarin wordt de academische vrijheid niet letterlijk vermeld, maar de rechtspraak van het Hof brengt ze wel onder die bescherming – en artikel 13 van het EU-Grondrechtenhandvest.

'Ook binnen universiteiten zelf kunnen omstandigheden ontstaan waarin afwijkende wetenschappelijke standpunten moeilijk verdedigbaar worden'

Maar volgens de KNAW volstaat die bescherming niet. De bestaande bepalingen zijn versnipperd, hebben elk hun eigen toepassingsgebied en bieden onvoldoende houvast wanneer de academische vrijheid onder druk komt te staan. Dat geldt vooral voor politieke inmenging, financieringsdruk, interne groepsdruk, de uitsluiting van minderheidsstandpunten en arbeidsrechtelijke conflicten tussen wetenschappers en hun instellingen.

Bedreiging van binnenuit

Daarom pleit de KNAW voor een versterking van artikel 1.6 WHW én voor de grondwettelijke verankering van academische vrijheid als zelfstandig grondrecht. De vrijheid van meningsuiting is in Nederland al verankerd in artikel 7 van de Grondwet, maar academische vrijheid wordt er niet expliciet erkend. Hoewel beide rechten elkaar in de praktijk vaak raken, zijn ze principieel verschillend. Academische vrijheid beschermt immers niet alleen de mogelijkheid voor wetenschappers om zich vrij uit te spreken, maar ook hun vrijheid om onderzoeksvragen te formuleren, methoden te kiezen, onderzoeksresultaten openbaar te maken en deel te nemen aan het wetenschappelijke debat.

Belangrijk is dat de KNAW verder kijkt dan inmenging van buitenaf. Academische vrijheid wordt niet uitsluitend bedreigd door overheden, commerciële belangen of maatschappelijke organisaties. Ook binnen universiteiten zelf kunnen omstandigheden ontstaan waarin afwijkende wetenschappelijke standpunten moeilijk verdedigbaar worden, aldus de KNAW.

Interne groepsdruk, conformiteitsverwachtingen en de uitsluiting van minderheidsstandpunten kunnen wetenschappers ertoe brengen bepaalde onderzoeksvragen te vermijden of hun conclusies minder uitgesproken te formuleren. De KNAW benadrukt in Vrijheid verankerd dan ook dat onderzoekers niet gedwongen mogen worden om tot een bepaalde uitkomst te komen en dat zij binnen hun vakgebied vrijelijk hun opvattingen moeten kunnen uiten, ook wanneer die controversieel of impopulair zijn.

En de waarheidsvinding?

Het gelijktijdig verschenen advies over de vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector is echter minder hoopgevend. Dat vindt ook historicus Steije Hofhuis. Hij onderzocht hoe de begrippen waarheidsvinding en objectiviteit de afgelopen jaren uit belangrijke Nederlandse wetenschappelijke beleidsdocumenten verdwenen.

In 2018 verklaarde De KNAW nog nadrukkelijk dat wetenschapsbeoefening om waarheidsvinding draait. De toen geldende Nederlandse gedragscode verwees expliciet naar waarheidsvinding als uiteindelijk doel van onderzoek en benadrukte het belang van objectiviteit.

Toen die gedragscode in oktober 2018 werd vervangen door een nieuwe Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit, verdwenen beide begrippen uit de tekst. De nieuwe code formuleerde vijf leidende beginselen: eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid. Dat zijn vanzelfsprekend essentiële wetenschappelijke waarden. Maar, zoals Hofhuis opmerkt, ze zijn niet zonder meer synoniem met waarheidsvinding. Een onderzoeker kan eerlijk, zorgvuldig en transparant te werk gaan en toch onjuiste conclusies bereiken. Eerlijkheid heeft betrekking op de manier waarop iemand onderzoek verricht; waarheidsvinding verwijst naar het epistemische doel van dat onderzoek.

'Ook een wetenschapper die volkomen te goeder trouw handelt, kan feitelijk onjuiste conclusies trekken'

Hofhuis illustreert zijn kritiek met een ervaring uit zijn eigen onderzoekspraktijk. Een wetenschappelijk artikel waarin hij historische beweringen van prominente Nederlandse migratiewetenschappers betwistte, werd door het Tijdschrift voor Geschiedenis niet ter peerreview uitgestuurd. Volgens Hofhuis kreeg hij van twee redacteuren te horen dat zij kritiek op gevestigde experts niet zagen zitten, omdat die hun werk immers ‘naar eer en geweten’ deden.

Voor Hofhuis illustreert dit precies waarom eerlijkheid en waarheidsvinding niet met elkaar mogen worden verward. Ook een wetenschapper die volkomen te goeder trouw handelt, kan feitelijk onjuiste conclusies trekken. Goede intenties zijn dan ook geen reden om wetenschappelijke bevindingen aan kritische toetsing te onttrekken.

De gedragscode voor 2027 – die op 20 oktober verscheen, na de publicatie van Hofhuis’ artikel – spreekt eveneens over die vijf leidende beginselen. Opvallend is dat waarheidsvinding daar wél weer vermeld wordt, maar dan enkel als drijfveer van onderzoekers om aan onderzoek te doen.  

In Vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector wordt ook verwezen naar de voornoemde leidende beginselen. Verder schrijft de KNAW:

Maatschappelijk engagement is een kracht van de wetenschap, geen zwakte. Het is dus van groot belang om verschillen hierin te erkennen, zowel tussen wetenschapsgebieden als tussen individuele wetenschappers. Waarden kunnen en mogen centraal staan. Voor sommigen gaat het primair om waarheidsvinding. Anderen (bijvoorbeeld in de ingenieurswetenschappen of ander praktijkgericht onderzoek) leggen misschien meer nadruk op maatschappelijke bruikbaarheid of nut van kennis. Weer anderen (zoals in sommige delen van de geestes- en sociale wetenschappen) benadrukken justice-oriented wetenschap: wetenschap die onderzoek doet naar en rekening houdt met historische en actuele onrechtvaardigheden en ongelijke verdeling van macht, en die zo gelijkwaardigheid en duurzaamheid probeert te bevorderen. (p. 28)

Waarheidsvinding is dus niet langer het heldere doel van de wetenschap. Het wordt genoemd als optie in een keuzemenu, aldus Hofhuis.

Academische vrijheid voor Cofnas én Critical Race Theory?

Wat beide adviezen en de gedragscode van de KNAW concreet kunnen impliceren, wordt duidelijk aan de hand van het volgende. Neem de Amerikaanse filosoof Nathan Cofnas, die de wetenschappelijke legitimiteit verdedigt van onderzoek naar mogelijke genetische verklaringen voor raciale groepsverschillen in IQ. Zijn controversiële hypothesen mogen niet louter vanwege hun maatschappelijke gevoeligheid als pseudowetenschap worden afgedaan.

Maar dezelfde academische vrijheid moet dan ook gelden voor aanhangers van Critical Race Theory (CRT). Het KNAW-advies over de vrijheid van meningsuiting presenteert justice-oriented-wetenschap immers nadrukkelijk als legitiem, terwijl waarheidsvinding er slechts als een van verschillende mogelijke doelstellingen verschijnt. Tegen CRT kunnen nochtans fundamentele wetenschapsfilosofische bezwaren worden ingebracht, met name wanneer haar uitgangspunten zo worden gehanteerd dat ze nauwelijks nog empirisch weerlegbaar zijn.

Precies daar wringt het. Academische vrijheid vereist niet dat we alle theorieën wetenschappelijk evenwaardig achten, maar wel dat hun beoordeling berust op argumenten, methoden en bewijsmateriaal in plaats van op ideologische wenselijkheid.

Kritische vragen

In haar advies maant de KNAW de politiek ook tot terughoudendheid. Kritische vragen vanuit de Tweede Kamer zouden volgens de Akademie immers bijdragen aan een klimaat van wantrouwen tegenover universiteiten.

Waarover gingen die vragen precies? Al in 2017 vroeg VVD-Kamerlid Pieter Duisenberg of ideologische eenzijdigheid, zelfcensuur en een gebrek aan diversiteit van perspectieven de waarheidsvinding in de wetenschap konden belemmeren. In 2021 vroeg zijn partijgenoot Hatte van der Woude waarom waarheidsvinding en objectiviteit uit een nieuw KNAW-document over academische vrijheid waren verdwenen en of beide nog altijd leidende beginselen van wetenschapsbeoefening waren.

'Academische vrijheid en waarheidsvinding hoeven nochtans geen concurrerende idealen te zijn'

Ook in april 2026 kwam de kwestie opnieuw op tafel. Mona Keijzer en JA21-Kamerlid Diederik Boomsma pleitten ervoor waarheidsvinding en objectiviteit opnieuw als normatieve uitgangspunten in de Nederlandse gedragscode op te nemen. De Tweede Kamer verwierp die motie op 19 mei.

Volgens Hofhuis geeft de KNAW met haar veranderende opvattingen over waarheidsvinding en objectiviteit zelf aanleiding tot wantrouwen. Hij bestrijdt dan ook haar oproep tot politieke terughoudendheid. Het is volgens hem juist gerechtvaardigd dat Kamerleden hierover kritische vervolgvragen stellen.

Academische vrijheid én waarheidsvinding

Met Vrijheid verankerd zet de KNAW ongetwijfeld een belangrijke stap naar een betere bescherming van de academische vrijheid, ook tegen interne groepsdruk en uitsluiting van minderheidsstandpunten. Het tweede advies, over de vrijheid van meningsuiting, overtuigt minder. Door waarheidsvinding naast andere wetenschappelijke doelstellingen te plaatsen, laat de Akademie een fundamentele vraag onvoldoende beantwoord: wat krijgt voorrang wanneer wetenschappelijke en maatschappelijke doelstellingen botsen?

Academische vrijheid en waarheidsvinding hoeven nochtans geen concurrerende idealen te zijn. De eerste beschermt de ruimte om controversiële hypothesen te onderzoeken en te verdedigen, de tweede vereist dat hun beoordeling berust op argumenten en bewijsmateriaal, niet op ideologische wenselijkheid. Want wat is academische vrijheid uiteindelijk waard als de zoektocht naar waarheid niet langer vooropstaat?

 

Dr. Astrid Elbers

Universiteit Antwerpen

De auteur is kernlid van Hypatia