Canadees rapport keihard over DEI: 'Politiek toxisch, discriminerend en een verspilling van schaarse publieke middelen'

Gepubliceerd op 13 september 2026 om 21:15

Toen filosoof Nathan Cofnas verwees naar een interne Harvard-analyse uit 2013, waaruit bleek dat zwarte studenten bij een volledig kleurenblind toelatingsbeleid nog slechts ongeveer 0,7 procent van de studentenpopulatie zouden uitmaken, veroorzaakte dat veel ophef. De controverse raakte aan een fundamentele vraag: wat gebeurt er met academische excellentie wanneer instellingen naast klassieke meritocratische criteria ook ras, geslacht en andere identiteitskenmerken laten meewegen? Een nieuw Canadees rapport geeft daarop een uitgesproken antwoord: die beleidskeuze gaat ten koste van wetenschappelijke excellentie en kost bovendien handenvol geld.

Afbeelding: ChatGPT.

Een nieuw rapport van Eric Kaufmann, Leif Rasmussen en Jonah Davids voor het Canadese Macdonald-Laurier Institute onderzoekt de gevolgen van DEI-beleid — diversity, equity and inclusion — binnen het prestigieuze Canada Research Chairs Program. De conclusie is scherp: DEI heeft niet alleen de selectie van onderzoekers ingrijpend veranderd, maar gaat ook ten koste van wetenschappelijke output en publieke middelen. 'Het DEI-denken is politiek toxisch, discrimineert op basis van ras en geslacht en is een verspilling van schaarse publieke middelen', besluiten ze.

Het Canada Research Chairs Program is een van de belangrijkste instrumenten waarmee de Canadese overheid academische excellentie financiert en tegelijk onderzoeksprioriteiten mee vormgeeft. Het programma werd in 2000 opgericht om Canadese universiteiten te helpen uitstekende onderzoekers aan te trekken en te behouden. De leerstoelen worden verdeeld via de drie federale onderzoeksraden: SSHRC voor sociale en geesteswetenschappen, NSERC voor natuurwetenschappen en techniek, en CIHR voor gezondheidsonderzoek. Het programma beschikt over ongeveer 300 miljoen Canadese dollar per jaar.

Het belang van zo’n leerstoel gaat bovendien veel verder dan de financiering alleen

Er bestaan twee categorieën van leerstoelen. Tier 1 Chairs zijn bestemd voor gevestigde, internationaal erkende onderzoekers en zijn ongeveer 200.000 Canadese dollar per jaar waard gedurende 7 jaar. Tier 2 Chairs richten zich op opkomende of mid-career onderzoekers met het potentieel om internationale erkenning te verwerven en zijn ongeveer 100.000 dollar per jaar waard gedurende vijf jaar. Tier 1 vormt dus de hoogste en meest prestigieuze categorie.

Het belang van zo’n leerstoel gaat bovendien veel verder dan de financiering alleen. Chair-houders krijgen vaak minder onderwijsverplichtingen, betere onderzoeks- of laboratoriumondersteuning en voorrang bij institutionele middelen. De leerstoelen trekken promovendi en infrastructuur aan en versterken het prestige van een universiteit. Volgens de auteurs staan de Canada Research Chairs dan ook aan de top van de academische prestigehiërarchie. Omdat ze invloed hebben op aanwervingen, infrastructuur en institutionele status, bepalen ze bovendien mee welke onderzoeksdomeinen universiteiten verder uitbouwen.

Trudeau en de opmars van DEI

Helaas heeft DEI het programma ernstig aangetast. De opmars van DEI versnelde sterk nadat Justin Trudeau in 2015 premier werd. Zijn regering promootte DEI zowel als onderdeel van haar politieke identiteit als in de werking van federale instellingen.

Het Canada Research Chairs Program kwam daarbij centraal te staan. Na klachten over de ondervertegenwoordiging van vrouwen, zichtbare minderheden, inheemse Canadezen en mensen met een handicap werden vanaf 2017 expliciete representatiedoelstellingen ingevoerd. Universiteiten die daar niet aan voldeden, konden leerstoelen verliezen of beperkingen krijgen bij toekomstige nominaties. Daarmee veranderde DEI volgens de auteurs van een algemene ambitie in een bindend bestuurlijk kader.

Voor elke vacature geldt dat geen blanke mannen mogen solliciteren

De gevolgen werden ook zichtbaar in de vacatures. Op 20 april 2026 veroorzaakte blogger Chris Brunet opschudding met een bericht over Memorial University in Newfoundland. De universiteit had vijf vaste academische functies uitgeschreven waarbij kandidaten tot minstens één van een aantal aangewezen groepen moesten behoren. Brunet vatte dat scherp samen: 'Deze week plaatste de enige universiteit van Newfoundland vijf vacatures voor vaste professoren. Voor elke vacature geldt dat geen blanke mannen mogen solliciteren.'

De officiële vacaturetekst stelde dat kandidaten zichzelf moesten identificeren als vrouw, 2SLGBTQIA+, inheems, geracialiseerd of als persoon met een handicap. De '2S' uit 2SLGBTQIA+ staat overigens voor 'Two-Spirit', een term die sommige inheemse Noord-Amerikaanse gemeenschappen gebruiken voor mensen die traditionele mannelijke en vrouwelijke gender-, sociale of spirituele rollen combineren of overstijgen. Die beperking van mogelijke sollicitanten was trouwens goedgekeurd door de Human Rights Commission op grond van artikel 8 van de Human Rights Act.

Van 80 procent naar 25 procent

Volgens het rapport was Memorial University geen uitzondering. Ook andere Canada Research Chairs-vacatures sloten blanke mannen effectief uit. Dalhousie University schreef bijvoorbeeld een positie in voedselzekerheid en duurzame landbouw uit die uitsluitend openstond voor kandidaten uit onder meer inheemse gemeenschappen, mensen van zwarte of Afrikaanse afkomst, andere geracialiseerde groepen, personen met een handicap, vrouwen en leden van 2SLGBTQIA+-gemeenschappen.

In 2015 was ongeveer 30 procent van de benoemden vrouw en circa 2 procent zwart of inheems. In 2025 bestond 61 procent van de chair-houders uit vrouwen en andere gender-equity seeking groups, 40 procent werd gerekend tot de categorie racialized individuals en 5,1 procent was inheems. Het aandeel personen met een handicap was intussen geleidelijk gestegen tot 16 procent. 

Bij instellingen met meer dan veertig leerstoelen steeg het aandeel universiteiten dat alle representatiedoelstellingen voor Tier 1 en Tier 2 haalde van 31 procent in 2022 naar 88 procent in 2025. De auteurs merken daarbij op dat sociaaleconomische achtergrond in deze doelstellingen geen rol speelt.

H-index

Het aandeel blanke mannen onder de Canada Research Chairs daalde volgens het rapport van ongeveer 80 à 85 procent rond 2000 naar ongeveer 25 procent in 2025. Wanneer alleen blanke mannen zonder handicap worden geteld, ligt hun aandeel nog lager. 

Om te onderzoeken wat deze verschuiving betekent voor wetenschappelijke prestaties, gebruiken Kaufmann, Rasmussen en Davids vooral de h-index. Die combineert het aantal publicaties van een onderzoeker met het aantal keren dat die publicaties worden geciteerd. Een onderzoeker met een h-index van 20 heeft minstens twintig publicaties die elk minstens twintig keer zijn geciteerd. 

Mannen hebben gemiddeld een h-index van 38, vrouwen van 28

De auteurs benadrukken zelf dat carrièreduur en discipline een grote invloed hebben op de h-index. Onderzoekers in geneeskunde en natuurwetenschappen worden bijvoorbeeld gemiddeld vaker geciteerd dan onderzoekers in sociale of geesteswetenschappen. Tier 1-houders hebben om dezelfde reden doorgaans een hogere h-index dan Tier 2-houders. Daarom controleren zij in hun statistische modellen onder meer voor carrièreduur, jaar van benoeming, type leerstoel en onderzoeksraad.

Grote verschillen tussen groepen

De verschillen zijn aanzienlijk. Onder de huidige Canada Research Chairs bedraagt de gemiddelde h-index 36 voor Oost- en Zuidoost-Aziatische onderzoekers, 34 voor blanke onderzoekers, 33 voor Zuid-Aziaten, 31 voor onderzoekers uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika, 26 voor Hispanics, 23 voor zwarte onderzoekers en 15 voor inheemse onderzoekers. Ook tussen mannen en vrouwen bestaat een duidelijke kloof: mannen hebben gemiddeld een h-index van 38, vrouwen van 28.

Het rapport bespreekt eerst mogelijke verklaringen voor de verschillen. Publicatieculturen lopen sterk uiteen tussen disciplines: historici schrijven vaker boeken, sommige wetenschappen werken met grote onderzoeksteams en in andere vakgebieden is individueel auteurschap de norm. Ook carrièreduur speelt een belangrijke rol. Daarom corrigeren de auteurs in hun statistische modellen onder meer voor vakgebied, carrièreduur, jaar van benoeming en type leerstoel.

Een vrouwelijke benoeming zou gemiddeld overeenkomen met ongeveer 22.500 dollar minder wetenschappelijke output per jaar

Ook na die correcties blijven de verschillen bestaan. In hun multivariate modellen hangt een vrouwelijke in plaats van mannelijke benoeming samen met gemiddeld 5,8 h-indexpunten minder huidige output. Voor een zwarte of inheemse tegenover een blanke of Aziatische benoeming bedraagt het verschil 3,4 punten. Wanneer alleen naar de h-index vóór de benoeming wordt gekeken, blijven eveneens significante verschillen bestaan.

Ook discriminatie wordt als mogelijke verklaring besproken. Maar volgens de auteurs bestaat er geen robuust kwantitatief bewijs dat discriminatie de vastgestelde verschillen voldoende kan verklaren.

De prijs van DEI

Het meest opvallende deel van het rapport is de poging om verschillen in wetenschappelijke output in geld uit te drukken. De auteurs nemen de h-index daarbij als maatstaf voor de wetenschappelijke opbrengst van een leerstoel. Door de jaarlijkse waarde van Tier 1Chairs en Tier 2 Chairs af te zetten tegen hun gemiddelde h-index, komen ze uit op ongeveer 5.000 Canadese dollar per h-indexpunt.

Vervolgens vertalen ze de gemeten h-indexverschillen naar een geschat verlies per individuele benoeming. Een vrouwelijke benoeming zou gemiddeld overeenkomen met ongeveer 22.500 dollar minder wetenschappelijke output per jaar, een zwarte of inheemse benoeming met ongeveer 17.500 dollar minder. De auteurs spreken daarom van een ‘equity-excellence trade-off’: een afruil tussen gelijkheidsdoelstellingen en wetenschappelijke excellentie.

De auteurs vergelijken die ‘equity-excellence trade-off’ met de economische ‘equity-efficiency trade-off’: zoals meer gelijkheid in de economie ten koste kan gaan van efficiëntie en totale output, gaat DEI in de wetenschap ten koste van excellentie. Daarbij plaatsen ze DEI expliciet binnen het culturele socialisme. Waar economisch socialisme materiële middelen herverdeelt, herverdeelt cultureel socialisme sociale goederen — zoals prestigieuze academische posities, middelen en kansen — over categorieën als ras en geslacht. 

Diversiteitsdoelstellingen en DEI-verklaringen moeten verdwijnen en subsidies voor activistisch-academisch onderzoek moeten worden stopgezet

Daarna trekken de auteurs hun berekening door naar het hele programma. Tussen 2015 en 2025 steeg het aandeel vrouwen onder de chair-houders volgens het rapport van ongeveer 30 naar 60 procent, terwijl het aandeel zwarte en inheemse onderzoekers toenam van ongeveer 2 procent naar 10 à 15 procent. Vergeleken met de samenstelling van 2015 ramen de auteurs het totale productiviteitsverlies daardoor op ongeveer 18 miljoen Canadese dollar per jaar, of bijna 6 procent van het jaarlijkse Canadian Research Chairs-budget van 300 miljoen dollar. Vergeleken met de samenstelling in 2000 loopt dat volgens hun berekening op tot 24 miljoen dollar per jaar.

Van excellentie naar activisme

Maar volgens Kaufmann en zijn coauteurs gaat het niet alleen om wie een leerstoel krijgt. Ook wat er met het geld wordt onderzocht, is veranderd. Ze analyseerden de beschrijvingen van de leerstoelen op een lange reeks begrippen die verband houden met DEI, kritische theorie en activisme, waaronder diversity, equity, inclusion, decolonization, whiteness, White supremacy, patriarchy, microaggressions, oppression en justice.

Sinds 2016 is het gebruik van zulke termen ongeveer verdubbeld. Vooral bij SSHRC, de onderzoeksraad voor sociale en geesteswetenschappen, is DEI-taal sterk aanwezig. In 2025 bevatte 75 procent van de omschrijvingen van nieuwe SSHRC-leerstoelen minstens één DEI-term. Wanneer de auteurs specifiek kijken naar termen rond activisme, vooroordelen, structurele onderdrukking en slachtofferschap, bevat 29 procent van de SSHRC-beschrijvingen minstens één begrip uit die categorieën.

SSHRC-leerstoelen gebruiken volgens het rapport bovendien ongeveer zeventien keer vaker expliciet activistisch geclassificeerde termen dan leerstoelen binnen natuurwetenschappen, techniek en geneeskunde. Zwarte en inheemse chair-houders gebruiken zulke termen viermaal vaker dan blanke en Aziatische chair-houders. De auteurs geven voorbeelden van leerstoelen in Feminist Environmental Humanities, the Radical Imagination, Black Feminist Technologies and Artistic Praxis en Architectures of Spatial Justice.

Voor Kaufmann, Rasmussen en Davids wijst die verdubbeling van DEI-taal op meer dan een verandering van woordgebruik. Het is een verschuiving van een ‘belangeloze zoektocht naar kennis’ naar onderzoek dat de doelstellingen van een op ras, geslacht en seksualiteit gebaseerde cultureel-socialistische politiek dient.

Ook daar zetten ze een prijs op. Zij ramen dat jaarlijks 10 tot 20 miljoen Canadese dollar naar wat zij zelfbevestigend ideologisch onderzoek noemen gaat. Samen met de geraamde productiviteitskosten van preferentiële benoemingen komen zij voor het Canada Research Chairs Program uit op ongeveer 36 miljoen dollar per jaar, of 12 procent van het jaarlijkse budget. Voor de drie federale onderzoeksraden samen ramen zij de bredere kosten op meer dan 100 miljoen dollar per jaar.

De boodschap van het rapport is dan ook duidelijk: diversiteitsdoelstellingen en DEI-verklaringen moeten verdwijnen en subsidies voor activistisch-academisch onderzoek moeten worden stopgezet. De legitimiteit van publiek gefinancierde wetenschap kan alleen worden behouden wanneer onderzoeksraden opnieuw prioriteit geven aan wat zij hun vroegere opdracht noemen: de belangeloze zoektocht naar waarheid.

Dr. Astrid Elbers

Universiteit Antwerpen

De auteur is kernlid van Hypatia