Rik Torfs: ‘Een mens mag verkeerde ideeën hebben’

Gepubliceerd op 29 oktober 2026 om 22:57

Moet de vrijheid van meningsuiting wijken voor het recht om niet gekwetst te worden? En mogen academici nog wel opvattingen verdedigen die buiten de heersende consensus vallen? Volgens Rik Torfs dreigen we steeds meer te vergeten waar de vrijheid van meningsuiting eigenlijk voor dient. Tijdens een lezing aan de Universiteit Gent hield de voormalige rector van de KU Leuven een pleidooi voor een zo groot mogelijke vrijheid van spreken. Ook, en vooral, wanneer de verkondigde ideeën ons niet bevallen.

Rik Torfs, © Astrid Elbers

Op maandag 26 oktober was Rik Torfs te gast aan de Universiteit Gent voor een lezing over academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting, georganiseerd door Jong N-VA UGent. De voormalige rector van de KU Leuven en hoogleraar kerkelijk recht begon zijn betoog met een terugblik op de jaren zestig en zeventig, toen de verdediging van de vrijheid van meningsuiting vooral met de linkerzijde werd geassocieerd. Dat vrijheidsideaal vond ook zijn weerslag in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Een mijlpaal was het arrest-Handyside uit 1976. De zaak draaide om de Britse uitgever Richard Handyside, die The Little Red Schoolbook had gepubliceerd, een boek voor jongeren met onder meer expliciete informatie over seksualiteit en drugs. De Britse autoriteiten beschouwden het boek als obsceen, namen exemplaren in beslag en veroordeelden de uitgever. Handyside trok daarop naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, maar verloor zijn zaak: het Hof oordeelde dat de Britse overheid de verspreiding van het boek mocht beperken ter bescherming van de goede zeden.

Recht om te kwetsen

Tegelijk formuleerde het Hof een principe dat sindsdien tot de fundamenten van de Europese rechtspraak behoort: de vrijheid van meningsuiting beschermt niet alleen ideeën die gunstig worden ontvangen of niemand aanstoot geven, maar ook ideeën die offend, shock or disturb - kwetsen, choqueren of verontrusten. Zonder die vrijheid, aldus het Hof, zijn pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid, en dus een democratische samenleving, onmogelijk.

Vandaag lijkt die gedachte bijna revolutionair, aldus Torfs. Kwetsen mag niet meer, want wie zich gekwetst voelt, wordt als slachtoffer beschouwd. Schokkende uitspraken kunnen immers psychologische schade veroorzaken en de wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg zijn al lang genoeg …

Misschien is het zelfs in uw belang dat ik u vandaag kwets en u huilend de zaal verlaat

Het Europees Hof ging zelfs nog verder: het beschermen van ideeën die kwetsen, choqueren of verontrusten is noodzakelijk voor het pluralisme en de openheid waarop een democratische samenleving berust. Anders gezegd: het is in het algemeen belang dat ook kwetsende ideeën mogen worden geuit.

Torfs trok die redenering met zijn gebruikelijke ironie door. ‘Misschien is het zelfs in uw belang dat ik u vandaag kwets en u huilend de zaal verlaat. Achteraf zou u immers weleens over uw opvattingen kunnen nadenken.’

Nieuwe ideeën worden immers zelden op applaus onthaald. Aanvankelijk roepen ze vaak verontwaardiging en weerstand op. Maar wat vandaag als schokkend of onaanvaardbaar geldt, kan morgen gemeengoed zijn. Denk aan homoseksualiteit, die vroeger maatschappelijk werd afgekeurd en inmiddels breed wordt aanvaard. Vandaag riskeert juist wie zich negatief over homoseksualiteit uitlaat scherpe kritiek.

Het maatschappelijke oordeel kan dus veranderen. Precies daarom moeten we voorzichtig zijn met het vastleggen van wat wel en niet gezegd mag worden.

Kerk en staat

Vervolgens maakte Torfs een uitstapje naar het kerkelijk recht. In 1983 verscheen een nieuw Wetboek van Kerkelijk Recht. Daarin werd, in canon 212, §3, voor het eerst uitdrukkelijk de vrijheid van meningsuiting van gelovigen erkend. Dat was opmerkelijk, want de katholieke Kerk stond niet bepaald bekend om haar liberale opvattingen daarover.

Ook in het kerkelijk recht staat dat de vrijheid van meningsuiting moet worden uitgeoefend ‘rekening houdend met het algemeen nut’. Maar volgens Torfs is er een belangrijk verschil met het arrest-Handyside. In de Kerk wordt de vrijheid van meningsuiting aanvaard als ze het algemeen nut dient. In Handyside daarentegen gaat men ervan uit dat het in het algemeen belang is om ook kwetsende, schokkende en verontrustende ideeën toe te laten. En in het geval van de Kerk rijst dan natuurlijk de vraag: wie bepaalt wat het algemeen nut is?

Daarom had Torfs al in 1990 gepleit voor een ruimere interpretatie van de vrijheid van meningsuiting binnen de Kerk, naar het voorbeeld van het arrest-Handyside. Maar de geschiedenis nam een heel andere wending: niet de Kerk evolueerde in de richting die hij voor ogen had, maar de seculiere samenleving begon steeds meer beperkingen op te leggen aan de vrijheid van meningsuiting. Holocaustontkenning werd strafbaar, bepaalde vormen van racisme en seksisme … En waar zullen die beperkingen eindigen?

Recht en moraal

Het onderliggende probleem is volgens Torfs de toenemende vermenging van recht en moraal. Het is misschien niet sympathiek om iemand te haten, maar moet alles dan sympathiek zijn? En moet de wetgever zich daarover uitspreken?

Amerikanen verkondigen geregeld de grootste onzin, maar verdedigen wel het recht om die onzin te verkondigen

Moraalfilosofen mogen zich richten op de ‘goede mens’ en zich afvragen hoe de volmaakte mens eruit zou moeten zien. Juristen daarentegen houden zich bezig met de mens zoals hij werkelijk is: onvolmaakt, met zijn donkere kantjes. Het recht moet ook voor die mens ruimte laten. Een mens mag verkeerde ideeën hebben. En wie dat recht verdedigt, onderschrijft daarom nog niet die ideeën. Wie bijvoorbeeld opkomt voor de rechten van Dries Van Langenhove, krijgt al snel het verwijt diens opvattingen te delen. Maar iemands rechten verdedigen is nog niet hetzelfde als hem gelijk geven.

Amerikaanse principes

Torfs verwees vervolgens naar de Amerikaanse traditie, waarin de vrijheid van meningsuiting doorgaans een veel sterkere bescherming geniet dan in Europa. Amerikanen verkondigen dan wel geregeld de grootste onzin, maar ze verdedigen tenminste erg principieel het recht om die onzin te verkondigen.

Een uitgesproken vertegenwoordiger van die traditie was Hugo Black, rechter bij het Amerikaanse Hooggerechtshof. Black verdedigde een bijna absolutistische interpretatie van het First Amendment dat de overheid verbiedt wetten aan te nemen die de vrijheid van meningsuiting beperken. Hij las daarin geen uitnodiging om voortdurend uitzonderingen te bedenken. Zijn achterliggende gedachte was dat slechte argumenten het best door betere argumenten worden bestreden: laat ideeën met elkaar concurreren in het publieke debat, in plaats van vooraf te bepalen welke opvattingen voldoende deugen om aan dat debat te mogen deelnemen.

In Europa gebeurt volgens Torfs steeds vaker het omgekeerde. Daar probeert men het debat al op voorhand te zuiveren van ongewenste standpunten. De onzuivere elementen worden verwijderd nog voor de discussie kan beginnen. Maar wat blijft er dan over van de vrijheid van meningsuiting?

Poppers tolerantieparadox

Ook de filosoof Karl Popper wordt volgens Torfs geregeld misbruikt om beperkingen op de vrije meningsuiting te rechtvaardigen. Zijn beroemde paradox van de tolerantie wordt vaak gereduceerd tot de slogan dat we intolerant moeten zijn tegenover intoleranten. Daarmee verdwijnt echter een essentieel deel van zijn redenering.

In The Open Society and Its Enemies stelde Popper uitdrukkelijk dat het onverstandig zou zijn intolerante opvattingen te onderdrukken zolang we ze met rationele argumenten en het publieke debat kunnen bestrijden. Pas wanneer tegenstanders van de open samenleving rationele argumentatie principieel afwijzen en hun toevlucht nemen tot geweld, kan onderdrukking volgens Popper noodzakelijk worden.

De tolerantieparadox is dus in de verste verte geen vrijbrief om ieder onwelgevallig standpunt het zwijgen op te leggen.

Het is niet aan een ethisch comité of een andere instantie om vooraf te bepalen welke ideeën onderzocht of uitgesproken mogen worden

Voor Torfs ligt de grens van de vrije meningsuiting zo ver mogelijk, pas waar woorden overgaan in daden. Wie in een zaal bijvoorbeeld roept dat iedereen de boel kort en klein moet slaan, doet iets anders dan een verwerpelijke mening verkondigen.

Academische vrijheid

In het laatste deel van zijn lezing richtte Torfs zich specifiek op de academische vrijheid. Daarbij nam hij afstand van de opvatting van historicus Herman Van Goethem, gewezen rector van de Universiteit Antwerpen, die de academische vrijheid als beperkter beschouwt dan de algemene vrijheid van meningsuiting, omdat academici gebonden zijn aan wetenschappelijke standaarden.

Torfs vindt die redenering bijzonder vreemd. Stel, je studeert jarenlang, je wordt academicus en daarna mag je minder je mening zeggen dan een ander? Dat is volgens hem krankzinnig. Onzin wordt vanzelf wel weggefilterd, aldus Torfs. Het is niet aan een ethisch comité of een andere instantie om vooraf te bepalen welke ideeën onderzocht of uitgesproken mogen worden.

Ook het argument dat wetenschappers uitsluitend over hun eigen specialisme mogen spreken, wees hij van de hand. Want hoe klein moet dat specialisme dan zijn? Een postzegel groot? Het devies ‘schoenmaker, blijf bij je leest’ is voor hem dan ook geen passend uitgangspunt voor een universiteit. Wetenschappelijke vooruitgang ontstaat immers vaak wanneer onderzoekers bestaande grenzen overschrijden, verbanden leggen en zich op onbekend terrein wagen.

Vertrouwen 

Torfs besloot met een pleidooi voor vertrouwen in de vrijheid van meningsuiting. Die vrijheid garandeert dat er ontzettend veel onzin zal worden verteld. Maar evengoed dat die onzin kan worden verdreven en dat ideeën met meer klasse zullen bovendrijven.

Toch is Torfs geen onvoorwaardelijke vooruitgangsoptimist. Hij gelooft niet dat ideeën zich altijd in de goede richting ontwikkelen. De geschiedenis verloopt volgens hem eerder cyclisch: betere ideeën kunnen plaatsmaken voor slechtere, en omgekeerd. Het zou dan ook gevaarlijk zijn te denken dat we inmiddels het eindpunt van de vooruitgang hebben bereikt en dat onze huidige opvattingen niet meer ter discussie mogen worden gesteld.

Voor het zogenaamde ‘voortschrijdend inzicht’ is volgens Torfs dan ook voorzichtigheid geboden. Want wie zegt dat we vandaag verstandiger zijn dan gisteren?

 

Dr. Astrid Elbers

Universiteit Antwerpen

De auteur is kernlid van Hypatia