Weinig bewijs dat meer diversiteit leidt tot betere wetenschap

Gepubliceerd op 11 september 2026 om 22:15

Een pas verschenen artikel van Jordan P. Beck e.a. in Theory and Society neemt de zogeheten Diversity hypothesis onder de loep: de veelgehoorde stelling dat diversiteit leidt tot originelere, productievere en invloedrijkere wetenschap. Die aanname speelt vandaag een belangrijke rol in universiteitsbeleid, personeelsbeleid en onderzoeksfinanciering. Vaak wordt daarbij gesuggereerd dat het wetenschappelijke bewijs voor de voordelen van diversiteit overtuigend is. De auteurs van het artikel komen echter tot een veel voorzichtiger conclusie.

Afbeelding: ChatGPT

Jordan P. Beck e.a. verzamelden meer dan honderd wetenschappelijke studies waarin het verband tussen diversiteit en wetenschappelijke output of impact werd onderzocht. Daarbij keken ze onder meer naar aantallen publicaties, citaties, h-index, auteurspositie, nieuwheid van het onderzoek en andere maatstaven voor wetenschappelijke prestaties. Vervolgens beoordeelden ze in welke mate de resultaten van die studies in overeenstemming waren met de diversiteitshypothese.

De uitkomst is opvallend. Slechts 15 tot 28 procent van de gerapporteerde resultaten bleek duidelijk in overeenstemming met de hypothese dat diversiteit wetenschappelijke prestaties verbetert. De auteurs stellen dan ook dat de brede diversiteitshypothese in haar huidige vorm niet door het beschikbare bewijs wordt gedragen.

Viewpoint diversity

Een belangrijk probleem is volgens hen dat onder het begrip ‘diversiteit’ zeer verschillende zaken worden samengebracht. Het grootste deel van de bestaande literatuur richt zich op demografische of identiteitsdiversiteit, zoals geslacht, ras, etniciteit of nationaliteit. Veel minder aandacht gaat naar viewpoint diversity: verschillen in waarden en overtuigingen, maar ook in kennis, expertise en perspectief.

Dat onderscheid is nochtans cruciaal. De theoretische argumenten voor de voordelen van diversiteit hebben immers vaak betrekking op cognitieve of informationele verschillen. Teams waarvan de leden verschillende kennis, invalshoeken en probleemoplossingsstrategieën hebben, zouden meer originele ideeën kunnen genereren en creatievere oplossingen kunnen vinden.

Toch wordt die vorm van diversiteit in de bestaande literatuur opvallend weinig rechtstreeks onderzocht. In plaats daarvan wordt vaak impliciet verondersteld dat demografische verschillen automatisch ook leiden tot verschillende perspectieven en denkwijzen. Met andere woorden: een team met meer variatie in ras, geslacht of achtergrond zou vanzelf ook meer viewpoint diversity bezitten. De auteurs wijzen erop dat die veronderstelling allerminst vanzelfsprekend is en veel beter empirisch moet worden getest.

Disciplinaire diversiteit

Disciplinaire diversiteit vormt een interessante uitzondering. Die beschouwen de auteurs als een concrete vorm van informationele of viewpoint diversity op teamniveau. Disciplinaire diversiteit is goed onderzocht en hier is het beeld duidelijk gunstiger dan bij veel vormen van demografische diversiteit. Verschillende studies rapporteren dat teams waarin meerdere wetenschappelijke disciplines samenkomen meer publiceren of vaker worden geciteerd. Slechts één studie vond een negatieve samenhang met publicatie-output. Andere studies wijzen dan weer op een omgekeerde U-curve: enige disciplinaire diversiteit lijkt gunstig, maar bij zeer grote verschillen kan dat voordeel opnieuw afnemen.

De auteurs wijzen daarnaast op methodologische problemen in een deel van de bestaande literatuur. Zo worden groepen soms als ondervertegenwoordigd voorgesteld zonder rekening te houden met hun aandeel in de relevante referentiepopulatie. Een voorbeeld dat de auteurs zelf bespreken, is een studie waarin vrouwen 46,6 procent van de auteurschappen voor hun rekening nemen en op basis daarvan als ondervertegenwoordigd worden beschouwd. Maar zonder te weten welk aandeel van de betrokken onderzoekers vrouw is, kan zo’n conclusie eigenlijk niet worden getrokken. Als vrouwen bijvoorbeeld slechts 40 procent van de onderzoekspopulatie uitmaken, zou 46,6 procent van de auteurschappen net op oververtegenwoordiging wijzen.

Meta-analyses

Ook op andere vlakken blijkt vergelijking moeilijk. Studies gebruiken uiteenlopende definities van diversiteit, verschillende analyse-eenheden en verschillende indicatoren voor wetenschappelijke prestaties. Daardoor zijn resultaten vaak lastig naast elkaar te leggen. De auteurs merken bovendien op dat de bestaande literatuur niet systematisch genoeg wordt gerapporteerd om er een of meerdere degelijke meta-analyses op uit te voeren.

Dat is een belangrijke beperking. Een meta-analyse zou immers toelaten om niet alleen te tellen hoeveel resultaten positief, negatief of neutraal uitvallen, maar ook om de grootte van mogelijke effecten preciezer te schatten.

De auteurs pleiten daarom voor toekomstig onderzoek dat veel scherper onderscheid maakt tussen verschillende vormen van diversiteit. Niet langer de brede vraag of ‘diversiteit’ werkt, maar concretere vragen: welke soort diversiteit, onder welke omstandigheden, via welk mechanisme en voor welk type wetenschappelijke uitkomst?

Adversarial collaboration

Gezien de gevoeligheid van onderzoek naar de diversiteitshypothese stellen ze bovendien voor om vaker gebruik te maken van adversarial collaboration. Daarbij ontwerpen en voeren onderzoekers met tegengestelde verwachtingen of theoretische uitgangspunten gezamenlijk onderzoek uit. Zo kan worden vermeden dat onderzoeksvragen, methoden en interpretaties te sterk door één vooraf ingenomen positie worden gestuurd. Deze adversarial collaboration komt de facto neer op een operationalisering van viewpoint diversity: uiteenlopende intellectuele standpunten worden niet alleen toegelaten, maar doelbewust in het onderzoeksontwerp geïntegreerd.

Hun conclusie is dan ook niet dat diversiteit geen enkel nut heeft. Wel stellen ze dat de algemene claim dat diversiteit als zodanig de wetenschap beter maakt te breed en onvoldoende onderbouwd is. Vooral het onderscheid tussen demografische diversiteit en viewpoint diversity blijkt daarbij essentieel. Net die laatste vorm lijkt het sterkst verbonden met wetenschappelijke creativiteit en probleemoplossing, en de bevindingen rond disciplinaire diversiteit suggereren dat zulke inhoudelijke verschillen inderdaad waardevol kunnen zijn.

Dr. Astrid Elbers

Universiteit Antwerpen

De auteur is kernlid van Hypatia