Kritische reflectie op 'Surviving linguistic violence'

Gepubliceerd op 11 september 2026 om 12:30

Wanneer wordt kritiek op woke een vorm van geweld? Volgens vijf onderzoekers van de Vrije Universiteit Amsterdam kan het negatieve gebruik van het woord ‘woke’ mensen niet alleen stigmatiseren, maar ook psychische, sociale en zelfs lichamelijke schade berokkenen. Alleen vinden we in dit onderzoek nergens bewijs voor die aantijgingen. Bovendien zetten de auteurs kritiek op woke en DEI zonder inhoudelijke weerlegging weg als ‘populistisch’ en ‘reactionair’. Bedreigingen die van woke en DEI uitgaan, worden daarentegen als louter ‘vermeend’ voorgesteld, terwijl bestaand onderzoek naar zulke risico’s wordt genegeerd. In een tijd waarin onwelgevallig onderzoek al snel als ‘pseudowetenschap’ wordt afgedaan, verdient ook onderzoek dat keurig binnen het dominante academische discours past dezelfde kritische toets.

In hun recent verschenen, peerreviewde studie Surviving linguistic violence: The role of equality, diversity and inclusion in reactionary times onderzoeken Sara Elloukmani en haar coauteurs het anti-wokediscours aan Nederlandse universiteiten. De auteurs baseren zich op Judith Butlers theorie van linguistic injury. Taal beschrijft volgens Butler niet alleen de werkelijkheid, maar is ook performatief: woorden kunnen mensen sociaal positioneren en beschadigen. Linguistic injury wordt in de paper omschreven als een performatieve handeling die mensen tot herkenbare sociale subjecten vormt, maar hen tegelijk kwetsbaar maakt door hun zelfbesef aan het wankelen te brengen. Denigrerende of lasterlijke woorden kunnen volgens dit theoretische kader iemand schade toebrengen, verwonden of het zwijgen opleggen.

De studie onderzoekt hoe ‘woke’ binnen de Nederlandse academische wereld discursief wordt geconstrueerd en welke rol DEI kan spelen in de strijd tegen wat de auteurs ‘reactionaire retoriek’ en institutionele uitsluiting noemen. Volgens hen werkt het antiwokediscours via drie mechanismen: het delegitimeert de wokebeweging, maakt van sommige mensen ‘illegitieme subjecten’ en kan schadelijk handelen via taal mogelijk maken.

Daarvoor verzamelden de onderzoekers 24 artikelen over woke en universiteiten uit onder meer NRC, Trouw, de Volkskrant, De Telegraaf en universitaire media. Ze analyseerden het materiaal met kritische discoursanalyse en selecteerden daaruit drie volgens hen prominente en maatschappelijk relevante discoursen. Die werken ze uit in drie zogenaamde ‘vignetten’.

Maar die drie vignetten laten net zien hoe groot de afstand soms is tussen wat de geciteerde personen daadwerkelijk gezegd hebben en wat de onderzoekers daar vervolgens uit afleiden.

Vignet 1: de delegitimering van de wokebeweging

De eerste casus draait rond Henk Kummeling, voormalig rector magnificus van de Universiteit Utrecht. Kummeling waarschuwde in een interview voor wat hij de ‘militante kant’ van woke noemt. In een klimaat waarin mensen onmiddellijk voor of tegen iets moeten zijn, vreest hij dat de ruimte voor debat en voor gezamenlijk onderzoek naar feiten verdwijnt.

Zijn waarschuwing is bovendien voorzichtig: ‘De signalen zijn niet talrijk, maar ze zijn er’, aldus Kummeling.

Voor de auteurs is het discours van Kummeling een ‘elitediscours’. Zonder concrete gevallen aan te halen of definities te geven, brengt de rector volgens de auteurs een retorische ‘keten van associaties tot stand tussen woke, cancelcultuur, anti-intellectualisme en censuur’, waarbij hij voortbouwt op terugkerende discoursen in media en politiek. Het institutionele gezag van de rector – vandaar ‘elitediscours’ - versterkt volgens hen het structurele karakter van deze linguistic injury: het discours verandert in een aanval op ideeën die dominante institutionele narratieven ter discussie kunnen stellen.

Dat is een vreemde kritiek: Kummeling bouwt voort op eerder onderzoek – wat logisch is – en een interview van een goed kwartier bij de start van het academiejaar is niet meteen de plaats om definities te gaan opdreunen.

Naast Kummeling passeren bij dit punt nog enkele wetenschappers de revue, onder wie Floris van den Berg, filosoof aan de Universiteit Utrecht en Hüseyin Külcü.

Ironisch genoeg besluiten de auteurs dat hun eerste vignet illustreert hoe woke strategisch wordt gedecontextualiseerd van zijn antiracistische oorsprong en binnen de Nederlandse academische wereld wordt gehercontextualiseerd als een bedreiging voor de academische vrijheid en het open debat.

Maar met die opmerking illustreren de auteurs net hun gebrek aan gevoel voor historische context. Het woord woke heeft inderdaad wortels in de zwarte Amerikaanse strijd tegen racisme. Alleen is het hedendaagse ideeëncomplex dat ermee wordt aangeduid inhoudelijk helemaal niet meer hetzelfde. Wie vandaag kritiek heeft op identiteitspolitiek, DEI of bepaalde opvattingen over ras en gender, verwerpt daarmee niet retrospectief de strijd tegen rassendiscriminatie waarin ‘stay woke’ ooit ontstond.

Over de wortels van het hedendaagse woke zijn de meningen verdeeld. Veel auteurs – onder wie de filosoof Stephen Hicks - zien een belangrijke oorzaak in het postmodernisme. Anderen – onder wie Michael Huemer in Progressive Myths – zien de oorzaak in een activisme dat is doorgeslagen. Toen de Civil Rights Act van Johnson juridisch een einde maakte aan racisme en discriminatie konden de activisten niet stoppen. Omdat het niet zo eenduidig is wat racisme precies is, kun je de grenzen van wat eronder valt altijd verder opschuiven. Dus zeiden de activisten: ja, maar misschien is het expliciete racisme voorbij, maar er bestaat ook impliciet racisme, onbewust racisme enzovoort.

Vignet 2: de constructie van ‘illegitieme subjecten’

Het tweede vignet draait onder meer rond Carel Stolker, voormalig rector magnificus van de Universiteit Leiden.

Stolker omschrijft woke als een activistische reactie op historisch en hedendaags onrecht tegenover minderheden. Vervolgens waarschuwt hij voor een klimaat waarin weinig ruimte overblijft voor afwijkende standpunten. Discussies over identiteit en racisme kunnen volgens hem persoonlijk worden en leiden tot cancelling en no-platforming. ‘Het huidige debat dreigt ons tot elkaars beulen te maken’, schrijft hij. ‘Ik heb gelijk en jij hebt ongelijk. We maken onszelf tot slachtoffers en daders.’

Daarvan maken de auteurs iets heel anders. Volgens hen projecteert Stolker deze dreiging rechtstreeks op ‘minderheden, studentenactivisten en kritische wetenschappers’, die hij daarmee positioneert als ‘aanjagers van polarisatie en academisch falen’. Maar dat is een interpretatie die geenszins logisch uit de tekst van Stolker volgt.

Iets vergelijkbaars gebeurt met filosoof Floris van den Berg. Van den Berg haalt scherp uit naar diversity officers. Zij zoeken voortdurend naar racisme, seksisme en kolonialisme en vinden die volgens hem soms waar ze niet bestaan. Hij noemt hen dan ook ‘nuttige idioten’.

Volgens de auteurs komt dat op het volgende neer: ‘Binnen dit performatieve veld van linguistic injury worden studenten, activisten en degenen die zich bezighouden met institutioneel gelijkheidsbeleid gepositioneerd als inferieure subjecten, waardoor mogelijk wordt wat Butler (1997) omschrijft als de verbale institutionalisering van ondergeschiktheid.’

Maar dat is geenszins wat Van den Berg zegt. Hij spreekt ten eerste enkel over diversity officers in het betrokken fragment, niet over studenten en activisten. Bovendien is iemand een ‘nuttige idioot’ noemen misschien weinig sympathiek, maar het is iets heel anders dan hem tot een ‘inferieur subject’ maken.

Vignet 3: de omzetting van taal in schadelijk handelen

Het derde vignet begint in de Verenigde Staten en Hongarije. Daar hebben regeringen anti-wokewetgeving ingevoerd die onderwijs over ras, gender en ongelijkheid beperkt en DEI-initiatieven afschaft. Ze erkennen zelf dat het om ‘extreme’ en tot dusver zeldzame gevallen gaat waarin het antiwokediscours zich heeft vertaald in formele juridische beperkingen.

Vervolgens schrijven ze dat Nederlandse universiteiten ‘vergelijkbare discursieve logica’s’ vertonen. Maar de autoritaire en interventionistische staatsmaatregelen in de Verenigde Staten en Hongarije en de Nederlandse academische kritiek op DEI en woke hebben weinig tot niets met elkaar te maken. In het eerste geval gaat het om een autoritaire anti-woke politiek die zelf de academische vrijheid beknot. In het tweede geval is het een liberale kritiek op woke vanuit het idee van pluralisme en academische vrijheid. Denk onder andere aan het standpunt van de Canadese historicus en hoogleraar Michael Ignatieff die aan den lijve mocht ondervinden hoe het autocratische regime in Hongarije de universiteiten agressief ondermijnde.   

Om hun punt te maken, halen de auteurs het Nederlandse voorbeeld aan van een extreemrechtse studentenpartij aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Die plakte stickers met ‘Er zijn maar twee genders. Durf het te zeggen’ op onder meer genderneutrale toiletten en op de campagneposter van een transgender diversiteitscoördinator. Kort daarna hield de partij een peiling met de vraag hoeveel genders er zijn, met als antwoordmogelijkheden ‘twee’ en ‘oneindig’. De auteurs zien daarin een doelbewuste uitsluitingshandeling die psychische, sociale en zelfs lichamelijke schade kan veroorzaken, en noemen de actie zelfs een vorm van impliciete censuur.

Dat laatste is moeilijk te volgen: de partij verbiedt niemand te spreken of bepaalde woorden te gebruiken, maar uit zelf een provocatieve politieke boodschap. Bovendien is het de vraag hoe representatief zo’n extreemrechtse studentenpartij is voor het veel bredere academische antiwokeprotest.

De non-performativiteit van het DEI-beleid in de academische wereld

Tegelijk vinden de auteurs dat er kritisch gekeken moet worden naar het falen van DEI. Het is er niet in geslaagd ‘een duidelijker geformuleerde en doelgerichtere positie te ontwikkelen die bestand is tegen reactionaire kritiek’. Meer specifiek vinden ze dat het DEI-beleid aan universiteiten te vaak blijft steken in symbolische verklaringen over diversiteit en inclusie, zonder dat er daadwerkelijk politiek of institutioneel opgetreden wordt.

De oplossing die ze voorstellen, is merkwaardig: DEI moet een nóg explicieter gepolitiseerde rol opnemen. Als voorbeeld noemen ze de Vrije Universiteit Amsterdam, waarvan het diversiteitsbureau in het conflict tussen Israël en Palestina benadrukte geen politieke positie in te nemen. En dat is fout volgens de auteurs. Ze plaatsen daar de activistische groep VU for Palestine tegenover, die de universiteit tot meer ‘institutionele verantwoordelijkheid’ wil bewegen. Die zogenaamde ‘verantwoordelijkheid’ leest dus eerder als een oproep om partij te kiezen in maatschappelijke conflicten.

En dat botst vooral met hun oproep om aan de universiteiten een ‘omgeving te bevorderen waarin uiteenlopende perspectieven kunnen floreren’. Hoe deze standpunten te verzoenen zijn, blijft een raadsel.

Ten slotte stellen de auteurs drie strategieën voor die ze beschouwen als vormen van verzet of collectieve actie om zich zowel woke als academische vrijheid opnieuw toe te eigenen en te herdefiniëren:

  1. ‘Woke’ opnieuw opeisen.
    In plaats van het woord defensief af te wijzen, zouden DEI-professionals en academici het juist positief moeten herdefiniëren. Woke moet volgens hen opnieuw staan voor bewustzijn van onderdrukking, solidariteit en kritisch engagement. Zo willen ze de negatieve lading die tegenstanders eraan geven, doorbreken.
  2. Minder werken met vaste identiteitscategorieën.
    De auteurs vinden dat DEI-beleid mensen te vaak reduceert tot vaste categorieën zoals geslacht of etniciteit. Ze pleiten voor meer aandacht voor overlappende en veranderlijke identiteiten, individuele handelingsruimte en de concrete context waarin mensen zich bevinden.
  3. Academische vrijheid herdefiniëren als collectieve verantwoordelijkheid.
    Academische vrijheid is volgens hen niet alleen het individuele recht om vrij te spreken en onderzoek te doen. Universiteiten moeten ook actief mensen beschermen die vanwege hun standpunten onder druk komen te staan, rechtvaardigheid en gelijkheid bevorderen en zich verzetten tegen uitingen die zij als discriminerend en schadelijk beschouwen.

Methodologische problemen

We stipten al enkele tekortkomingen in dit artikel aan, maar de grootste problemen zijn methodologisch. Opvallend is al hoe de eerste onderzoeksvraag wordt geformuleerd. De auteurs vragen niet of de discursieve constructie van woke een linguistic injury is – dat staat blijkbaar al vast - maar hoe die als linguistic injury kan worden begrepen. Bovendien schrijven ze dat ze citaten selecteerden ‘om bewijs te leveren van de diagnosed linguistic injury en onze bevindingen te illustreren’. De ‘verwonding’ is dus al gediagnosticeerd vóór de geselecteerde citaten als bewijs worden opgevoerd.

Dat levert een probleem van falsifieerbaarheid op. Degenen die als ‘woke’ worden bestempeld, kunnen volgens de auteurs reageren door zich te verdedigen, zich tegen het label te verzetten of het zich juist opnieuw toe te eigenen. In al deze gevallen is de linguistic injury volgens hen werkzaam. Welke reactie zou dan aantonen dat er géén linguistic injury heeft plaatsgevonden? En hoe stel je empirisch vast dat er werkelijk psychische, sociale of lichamelijke schade is ontstaan?

Dezelfde vooronderstelling duikt op bij de academische vrijheid. In de conclusie schrijven de auteurs over de ‘vermeende’ bedreiging door woke. Maar hun onderzoek gaat helemaal niet na of woke en/of DEI de academische vrijheid daadwerkelijk bedreigen of niet. Nochtans bestaat daar al heel wat onderzoek over. Zo stelde Harvard-politicologe Pippa Norris aan de hand van een wereldwijde enquête onder bijna 2.500 politicologen vast dat academici wier opvattingen afwijken van de dominante ideologische cultuur minder geneigd zijn zich uit te spreken. In sociaal-liberale westerse academische omgevingen gold dat vooral voor rechtse academici. Norris concludeert dan ook dat cancelcultuur niet eenvoudigweg een retorische mythe is.

Ook de omgang met tegenargumenten is opvallend. Serieuze academische kritiek op ‘woke diversiteitsstrategieën’, zoals die van Waldman en Sparr, wordt niet inhoudelijk weerlegd, maar wordt afgedaan als ‘populistisch’ en ‘reactionair’. Dat is des te opvallender in een artikel dat – oh ironie - juist onderzoekt hoe etiketten worden gebruikt om tegenstanders te delegitimeren.

Ten slotte is ook – zoals eerder aangehaald - hun beroep op de historische betekenis van woke problematisch. De auteurs behandelen de betekenisverschuiving van het woord vooral als een strategische decontextualisering door tegenstanders. Daarmee blijft onderbelicht dat woorden door gebruik werkelijk van betekenis kunnen veranderen en dat ‘woke’ vandaag naar een heel ander ideeëncomplex verwijst dan het oorspronkelijke ‘stay woke’. Het woord opnieuw positief willen toe-eigenen is een legitiem politiek project, maar het bewijst niet dat hedendaagse critici het begrip noodzakelijk ‘verkeerd’ gebruiken.

Dr. Astrid Elbers

Universiteit Antwerpen

De auteur is kernlid van Hypatia